Issue 1, 2017

Dronedeutung: een tafelgesprek op festival Drift

Willem Schinkel, Rogier van Reekum and Eva Sancho Rodriguez

Naar aanleiding van het komende Dronedeutung-nummer verzorgde Krisis in 2015 tijdens Drift een tafelgesprek: De chaos tegemoet. Drift is een wijsgerig festival dat jaarlijks georganiseerd wordt door filosofiestudenten in Amsterdam. Onder leiding van redactielid Eva Sancho Rodriguez duidden Willem Schinkel en Rogier van Reekum het fenomeen drone.

Willem Schinkel: Mijn interesse in drones heeft te maken met surveillance en de gevolgen van drones voor wat oorlog is. Ik heb het eigenlijk alleen maar over vliegende drones en meestal ook over bewapende drones. Specifiek ben ik geïnteresseerd in de manier waarop drones bijdragen aan de verandering in een mens zien. De fantasie om op afstand bommen te gooien is niet een heel recente. In de Eerste Wereldoorlog heeft men daar al mee geëxperimenteerd, maar die pogingen zijn allemaal gecrasht. Tegenwoordig zijn dergelijke fantasieën professioneler, en zijn het eigenlijk geen fantasieën meer. Bij General Atomics kan je een Reaper-drone kopen voor ongeveer 40 miljoen dollar, meen ik. Nederland heeft er net vier van aangeschaft. Die zijn vooralsnog onbewapend, maar daar gaan zonder problemen zogenaamde Hellfire-missiles op. Deze drones storten trouwens vaak neer; één op de drie schijnt nog steeds uit zichzelf neer te storten. Voor Nederland belooft dat heel wat … vliegen vooral in de buurt van Amsterdam [gelach]. Het punt is natuurlijk dat ze alleen elders op de wereld vliegen. Daar ga ik het over hebben.

Om nu te begrijpen wat er gebeurt als we de wereld observeren met onbemande vliegtuigen, is het aardig om de geschiedenis van de mechanisering van het zien te begrijpen. Deze geschiedenis begint eeuwen terug, maar specifiek met betrekking tot robots vind ik het volgende interessant. De eerste robot komt uit een Weens toneelstuk uit 1920 van de gebroeders Čapek, dat Rossums Universal-Robots heet, afgeleid van het Tsjechische robota dat slaaf betekent. Dit toneelstuk speelt eigenlijk met de omkering daarvan. De robots worden in eerste instantie door de industrie ingezet, vervolgens krijgen zij bewustzijn en daarna domineren zij de mens. Dat is een thema dat nog steeds bestaat. Het idee dat alles wat bewustzijn krijgt, meteen wil domineren en overheersen, is op zich vreemd. Het thema komt bijvoorbeeld ook sterk naar voren in de context van het Bauhaus. De Bauhausexperimenten hadden betrekking op de vermenging van kunst, technologie en leven. Daar was het idee dat het zien algoritmisch uitdrukbaar is in de vorm van logische patronen die door mens-machinekoppelingen in de ruimte tot stand komen.

Deze twintigste-eeuwse culturele achtergronden gaan vooraf aan de manier waarop wij tegenwoordig via drones de wereld observeren. Een decor van Xanti Schawinksy op het Black Mountain College in de Verenigde Staten, waar velen van het Bauhaus heengegaan zijn nadat de nazi’s aan de macht kwamen, toont het rationele calculeerbare oog in de lucht, volledig losgemaakt van een lichaam. Dit oog bestrijkt alle domeinen van het leven. Dat is denk ik een adequate omschrijving van de toestand waarin we ons tegenwoordig bevinden. Het zien van drones is zeer vernetwerkt en gedistribueerd. Allerlei verschillende locaties (in de VS, Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Korea) en de verbindingen daartussen zijn nodig om überhaupt de wereld waar te nemen vanuit een drone. Dus het is eigenlijk verkeerd om te zeggen dat een drone de wereld waarneemt. Daar is een compleet netwerk van actoren, van verschillende plaatsen voor nodig, en dáár vindt dat zicht plaats. Dat zicht komt tot stand door een heel netwerk van selectie, interpretatie, overleg en is dus niet een soort objectief oog in de lucht, maar een systeem of netwerk dat tot objectiviteit besluit. Heel specifiek gaat het tegenwoordig in de Verenigde Staten, het land met de meest geavanceerde systemen hiervoor, om programma’s met namen als Gorgon Stare of Argus; allemaal verschrikkelijke namen, wat op zich ook veelzeggend is natuurlijk.

Het model van monitoring passen we steeds vaker op onszelf toe. We hebben nauwe feedbackkoppelingen met het monitoren van ons eigen leven. Een recent voorbeeld is een vader wiens achtjarige dochter alleen naar school wilde lopen. Dat is in de Verenigde Staten überhaupt al een heel ding, maar deze vader besloot haar te volgen met een drone. Interessant daarin is dat op het moment dat haar iets overkomt, de vader helemaal niets kan doen. Hij kan alleen zien dat ze meegenomen wordt, of dat ze aangereden wordt. Daar ging het hem om, want hij zegt letterlijk: ‘it was kind of a thing just to keep an eye, just to make sure she was looking both ways, let her know that daddy is always watching’. Dat laatste is misschien wel het allerergste. Een soort god-complex, maar dat is iets wat we tegenwoordig allemaal in zekere mate hebben. Interessant is dat er een soort training van het zien van de dochter plaatsvindt. De vader wil via zijn gedistribueerde oog kijken of zij wel alle kanten opkijkt. De manier waarop hij er altijd voor zijn dochter is, is door altijd in afwezigheid mee te kijken. Drones dragen op deze manier bij aan een andere vormgeving van onze meest primaire relaties.

Maar hoe zien we de ander hiermee? De badge die drone-operators in de Verenigde Staten die met de Reaper-drone werken op hun kleren dragen, spreekt niet direct de wens uit de ander als mens te zien die iets van ons vraagt; het zijn niet echt levinasianen. Dat spreekt ook uit de taal: Reaper, dat komt van Grim Reaper, Predator, Gorgon Stare, Hellfire missiles, Global Hawk. Die taal moet iets duidelijk maken. Maar veel politieker wordt het als je naar de badge kijkt van de afdeling bij het Amerikaanse leger die uit sensor-operators bestaat. Daarop staat ‘no country too sovereign’, wat wijst op een heel sterk geopolitiek effect van drones. Drones hebben geen respect voor grenzen. Ze zijn typisch voor een vorm van hedendaags imperialisme, dat zij mede mogelijk maken. ‘No country too sovereign’ is een imperialistische uitspraak, een praktische waarheid, omdat drones relatief gemakkelijk opereren onder de soevereiniteit van andere staten, maar vooral omdat die staten zwakker zijn dan de Verenigde Staten. Vorig jaar nog zei Joseph Votel, hoofd Joint Special Operations Command in de Verenigde Staten: ‘we want to be everywhere, know everything and we want to predict what happens next’. Dat is gewoon imperialisme.

Wat we niet moeten doen bij het denken over dit soort dingen is de drones naturaliseren door ze te begrijpen als een volgende stap in de technologie, zoals pijl- en boogschieten ook al betekent dat je op afstand te werk gaat, en dat dat is hoe technologie werkt. We moeten ook niet technodeterministisch denken; drones zijn onnauwkeurig, ondanks alle precisieretoriek die het leger naar voren brengt. Als je de transcripten leest van drone-operators die gruwelijke fouten maken, dan zeggen zij bij het zien van kinderen dat zij oud genoeg zijn om een rifle te dragen. Tegelijkertijd, als blijkt dat ze driejarige kinderen vermoord hebben, zeggen zij dat zij dat niet konden zien op de korrelige beelden. We moeten dus absoluut niet technodeterministisch denken, noch techno-optimistisch, noch pessimistisch: we moeten drones politiseren. We moeten in eerste instantie de vraag stellen: hoe wordt een mens überhaupt zichtbaar? Als dit de manier is waarop we naar mensen kijken en op basis waarvan we besluiten wie we aanvallen, wat betekent dat dan voor hoe we mensen eigenlijk zien? We moeten ook vragen naar de locus van beslissingen. Vroeger was er sprake van een heldere chain of command. Nu is het zo dat de nerds die bepaalde algoritmes maken de drones medebesturen. Algoritmes nemen heel belangrijke beslissingen, terwijl dat volledig uit het publieke oog verdwenen is; we hebben daar geen politiek zicht op. Ook moeten we het hebben over de imperialistische houding, over de asymmetrie in de wereld en over het feit dat dat op een dag naar ons terugkomt. Er zijn al pogingen van terroristen geweest om met drones aanvallen in het westen te plegen en mijn gok is dat dat binnen tien jaar ook absoluut gebeurt, en dat dat soort aanvallen heel lastig aan te pakken zijn.

In Afghanistan leven dorpelingen onder een constant regime van angst voor drones. Toen een Reaper-drone was neergestort, zoals deze dus nogal eens doen, besloten zij de drone te stenigen. Bij het zien van de video-opnamen daarvan kreeg ik een beetje medelijden met de drone; de gebeurtenis speelt enorm sterk in op de mens-machinerelatie. De drone ligt daar blind en hulpeloos voor die mensen en wordt gestenigd. Dat is een hele rare emotie, waarvan ik nog niet helemaal zeker weet wat ik ermee moet. Maar ik denk dat op het moment dat we compassie met de drone kunnen krijgen, we ook misschien ergens zijn. Dat gevoel moeten we filosofisch duiden.

Rogier van Reekum: Ik ben redactielid van Krisis en één van de mensen die heeft nagedacht over wat we als tijdschrift willen met het thema van drones. Een van de redenen waarom de redactie dacht dat drones tot de verbeelding spreken, is omdat ze een belofte van de moderniteit lijken in te willigen. De moderniteit heeft veel verschillende betekenissen, maar één daarvan is de fantasie van een voortdurende verdere verfijning van de controle over de omgeving via technische middelen. Drones lijken daar een volgende stap in te beloven.

Lange tijd was het luchtruim onbenaderbaar, we hadden alleen piloten – een hele selecte groep mensen, durfallen, bijzondere mensen, specialistisch getraind – die het luchtruim konden penetreren. Drones lijken democratisering te beloven: een democratische toegang via technische middelen tot het luchtruim. Drones openen het luchtruim ook voor dagelijks gebruik, zoals de snelwegen voor het gebruik van de auto het land open hebben gebroken. Drones lijken net zo’n soort fantasie van de toekomst of belofte van de moderniteit in te willigen. Dat resoneert met wat Willem Schinkel net heeft gezegd: hebben we het alleen over een inwilliging van de belofte van het penetreren van het luchtruim, of ook over een kolonisering van dat luchtruim? Dat wil zeggen, gaat het veroveren van het luchtruim gepaard met asymmetrie, met imperialisme, met allerlei consequenties, met partijen die daar verder in zijn en partijen die daar de consequenties van merken.

Mijn eigen onderzoek richt zich op de visualisering van migratie. Nu is het zo dat een partij zoals Frontex, de Europese grensbewakingsorganisatie, tests doet en zo nu en dan dronetechnologie gebruikt, onder andere in Griekenland. Specifieker vindt dat niet in Griekenland, maar boven Griekenland plaats. Eén van de interessante dingen die je daar ziet, is dat de kolonisering van het luchtruim plotseling heel erg veel te maken krijgt met het domineren van het aardoppervlak. Daarmee wordt iets opnieuw belangrijk, dat lange tijd minder belangrijk was: de categorie van terrein. Lang was ruimte als territorium erg belangrijk, zoals je die bijvoorbeeld op een kaart ziet. Dronetechnologie maakt ruimte in termen van terrein weer veel belangrijker, omdat vanuit het zicht van een drone belangrijker is waar je je in termen van terrein bevindt en in hoeverre vervolgens geïntervenieerd kan worden aan de hand van ofwel wat een drone kan doen ofwel de hoeveelheid intelligence die via drones vergaard wordt. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het gebruik van drones in de grenscontrole of in de collateral damage van ‘aanslagen’ die gepleegd worden door de Amerikaanse oorlogsmachine. Als je je dicht bij iemand bevindt die geselecteerd is om omgelegd te worden, dan word je daarmee niet vanwege een bepaalde status, maar simpelweg omdat je je in termen van terrein dicht bij iemand bevindt, plotseling gekwalificeerd als collateral damage. Daarmee worden andere eigenschappen dan nationaliteit belangrijk, in dit geval terrein. Dat is iets dat interessant is aan wat drones doen.

Eva Sancho Rodriguez: Voordat we aan het tafelgesprek beginnen, laten we een kort fragment zien van de documentaire Unseen War. James Bridle, een kunstenaar-activist, en Noortje Marres, filosoof en mediawetenschapper bij Goldsmith’s, praten hier over het meest gevonden dronebeeld via Google Images, een beeld dat we waarschijnlijk allemaal voor ons zien wanneer we aan drones denken. Maar juist dit beeld is gemaakt door een hobbyist in een 3D-modelleringsprogramma waar hij wat bergen achter heeft gephotoshopt. James Bridle vertelt dat dus zelfs het ‘zichtbare’ van de drones een illusie is. Maar volgens Noortje Marres weten we dondersgoed wat drones zijn. Er zijn ontzettend veel initiatieven, platforms, organisaties en informatie over drones, wat ze doen, wat hun impact is en wat de consequenties zijn. We hebben heel veel informatie, maar we denken dat deze niets zichtbaar maakt omdat ze niet effectief lijkt te zijn. Marres suggereert dat zichtbaarheid en onverschilligheid met elkaar verward worden.

Een eerste vraag aan jullie is naar aanleiding van de opmerking dat we heel veel informatie over drones hebben en er allerlei vormen van activisme zijn om die informatie zichtbaar te maken. Tegelijkertijd is het zo dat surveillancetechnologie er altijd in één keer is. Denken jullie dat wat er nu rondom drones gebeurt in het zichtbaar maken ervan anders zal zijn qua het wel of niet delibereren over wat voor surveillancetechnologie we hebben?

Rogier van Reekum: Ik heb het gevoel dat drones een hoog magnetrongehalte hebben. Wat ik daarmee bedoel is het inwilligen van de belofte van de moderniteit. Eind jaren tachtig heerste zo’n gevoel rondom de magnetron. Dat zou een fantastisch nieuw keukenapparaat zijn, maar bleek een stom ding waarmee je af en toe iets opwarmt. Ook rondom de drone hangt aan de ene kant de suggestie van een enorme technologische revolutie, maar tegelijkertijd kan het in datzelfde narratief van moderne vooruitgang van de technologie gepresenteerd worden. Dan is het gewoon de volgende logische stap, eigenlijk niets nieuws, maar slechts een middel om mensen in de gaten te kunnen houden. Dat we mensen in de gaten willen houden, is eigenlijk een heel aparte blik op technologie. Aan de ene kant willigt het allerlei fantastische verlangens in en tegelijkertijd is het een volgende logische stap van een proces dat al loopt. Dat maakt het politiseren ervan moeilijk.

Willem Schinkel: Wat het politiseren van drones vooral moeilijk maakt is dat drones een ultieme vorm van asymmetrische oorlogsvoering vertegenwoordigen in de zin dat je eigen soldaten geen risico lopen. Waar Amerika sinds Vietnam enorme problemen mee gehad heeft, zijn de zogenaamde body bags die naar huis komen. Op het moment dat je een wapen hebt waarbij dat risico niet bestaat, loop je heel dat secundaire risicomanagement uit de weg. Tegelijkertijd is er geen enkele democratische noodzaak om te controleren wat een overheid doet met zijn wapens, omdat je nooit ziet wie een been verloren heeft en er nooit iemand is die niet meer terugkomt, want je medesoldaten zitten naast je in de woestijn in Nevada andere mensen te vermoorden. Op dat moment verlies je eigenlijk alle interesse; oorlogsvoeren wordt iets dat we kunnen tolereren omdat we nooit te maken hebben met bekenden die ineens dood zijn.

Eva Sancho Rodriguez: Tegelijkertijd is het zo dat we nieuwsberichten op Nu.nl kunnen lezen over drones. Wat mij oprecht verbaast, is dat er bijvoorbeeld weerstand geweest is tegen de introductie van Google Glass. Dat werden al snel glassholes genoemd. Die magnetrontechnologie is mislukt en de ontwikkeling daarvan is stopgezet. We weten wellicht ergens in ons achterhoofd wat drones betekenen, ondanks het euforische aspect ervan. Wat maakt nu dat de ene technologie stukloopt en de andere omarmd wordt?

Willem Schinkel: Het is heel belangrijk dat we het hebben over ‘Dronedeutung’, maar we hebben het niet altijd over hetzelfde fenomeen. Waar ik het met name over heb, zijn weaponized drones die in de oorlogsvoering gebruikt worden. Dat is iets heel anders dan de drones die je op Bol.com voor 150 euro kunt kopen. Die vind ik ook wel leuk; ik ben nerd genoeg om die drones grappig te vinden. Waarom drones in de Verenigde Staten, en niet alleen daar (Israël is de grootste exporteur van gewapende drones in de wereld) zo populair zijn, is omdat er voor miljoenen bij het Amerikaanse Congres gelobbyd is door heel machtige bedrijven. Op dit moment trainen alle afdelingen van het Amerikaanse leger gezamenlijk meer drone- dan gewone piloten. Het Amerikaanse leger is zich dus volledig anders in gaan stellen. Recent stond er een bijdrage in NRC Handelsblad van een zeer schimmige club; lui die vinden dat we meer in defensie moeten investeren in Nederland. Die club bestaat uit ex-VVD’ers, CDA’ers en ex-PvdA’ers, en zij noemden ook heel subtiel ‘onbemande systemen’ waar we in moeten investeren. Daar schuilt een enorme macht en een enorm economisch belang achter, dat iets heel anders is dan die kleine drones die we gewoon ‘voor de leuk’ hebben. Overigens zijn Google en Facebook bezig met drones die internet vanuit de ruimte kunnen verspreiden. Amazon wil drones om pakjes te bezorgen. Er is dus een heel palet aan opties, waarbij je iedere keer specifiek moet kijken wat aantrekkelijk is voor wie.

Eva Sancho Rodriguez: Tijd voor vragen of opmerkingen uit de zaal. [Vraag vanuit het publiek] De vraag gaat over de manier waarop bestuurders van militaire drones enerzijds ruimtelijk ver weg van hun slachtoffers zitten, maar anderzijds heel dichtbij zijn. Zij kunnen alles van het dagelijks leven van hun slachtoffers zien door middel van camera’s, maar zijn tegelijkertijd heel ver weg.

Willem Schinkel: Dat is iets wat vaak gezegd wordt en ik denk dat het ten dele waar is, maar ook ten dele onwaar. Voor zover het waar is, moeten we daar heel erg mee oppassen. Dronepiloten zijn heel dicht bij hun slachtoffers omdat zij inderdaad uren achtereen dezelfde personen bekijken, maar zijn ook ver weg, omdat ze die personen helemaal niet goed kunnen zien. Ze kunnen bijvoorbeeld geen gezichten onderscheiden. Wanneer zie je een mens? Heb je daarvoor een gezicht nodig of niet? Ik noemde Levinas net grappend, maar het is de vraag wat je precies ziet als je zo’n korrelig beeld hebt – want die beelden zijn korrelig. Dat dronepiloten alles heel scherp zien, is een illusie. Anderzijds zien ze bijvoorbeeld mensen bidden, en denken dan terroristen te zien, want terroristen zouden bidden voordat zij iets doen. Dat is een letterlijk voorbeeld van een paar jaar terug, waarbij meer dan twintig mensen opgeblazen werden omdat ze gingen bidden. Recent is ook naar voren gekomen dat drone-operators meer last hebben van post-traumatic stress disorders dan reguliere piloten en zelfs soldaten in het veld. Daar moeten we heel erg mee oppassen. Misschien is het waar, maar anderzijds is het ook een manier om drone-operators tot soldaat te maken. Dat zegt ook Grégoire Chamayou in zijn recente boek. Om het beroep eervol te maken, lopen dronepiloten ook in een uniform, hebben zij een badge, en doen zij allemaal alsof ze soldaatje zijn, maar dat is ook een manier om hen te normaliseren.

Rogier van Reekum: Het is ook belangrijk je te realiseren dat veel van de drones die bijvoorbeeld in Pakistan, Jemen of dat soort plekken opereren, vliegen vanaf vliegvelden in Saudi-Arabië. Vanuit Nevada is er een infrastructuur nodig om dit soort dingen te kunnen doen. Dat veronderstelt een Amerikaans imperium, een overleg tussen Saudi-Arabië en de Verenigde Staten, allemaal zaken om die nabijheid en afstandelijkheid te organiseren. Die infrastructuur moet je ook meenemen in de bepaling wat veraf is, en wat dichtbij.

Willem Schinkel: Om bijvoorbeeld een Reaper-drone te vliegen en daarmee te surveilleren, heb je mensen nodig die in Nevada drone-operator zijn. Daar zitten sensor operators bij, meerdere mensen die meekijken. In Florida zitten mensen die alle data heel specifiek analyseren op intelligence. Vervolgens hebben ze teams in bijvoorbeeld Afghanistan. De vraag is: wie ziet? Als je communicatietranscripten terugleest, blijkt dat het zien zich vormt in overleg, en dat er besluiten genomen worden die uiteindelijk leiden tot aanslagen. Stel dat Rogier van Reekum doelwit is van een drone-attack. Als ik bij hem in de buurt sta, ben ik niet collateral damage. Ik ben een military aged male die direct betrokken is omdát ik in zijn buurt ben. Dat is per implicatie de manier waarop ik gezien word. De vraag daarbij blijft steeds wat zien eigenlijk is. Daarbij moeten we niet te snel denken aan het binoculaire proces waar we zelf dagelijks mee bezig zijn.

[Vraag uit publiek, onverstaanbaar]

Willem Schinkel: Er wordt gewerkt aan systemen die niet meer hoeven te landen en voortdurend bijgevuld kunnen worden. Soms hebben drones ook een eigen wil. Een aantal jaren terug opereerde Ierland op een vredesmissie ergens in Afrika een drone waarmee zij het contact kwijtraakten. Die drone dacht toen op eigen houtje naar Ierland terug te keren, maar had daar helemaal niet genoeg brandstof voor, dus is hij ergens halverwege neergestort. Dat komt wel in de buurt van wat je zegt. De vraag is of drones zo complex kunnen worden dat zij zelfbewustzijn krijgen, dat zij zelf besluiten kunnen nemen. Dan zou je kunnen hopen dat de drones besluiten iets beters te doen dan mensen afknallen, en besluiten andere drones af te gaan knallen. [gelach]

Opmerking uit publiek: Ik zag een filmpje van een Pakistaans meisje van een jaar of zes, dat het had over de heldere hemel. Als er geen bewolking is, dan zouden er geen drones komen en hoefde zij niet bang te zijn vanuit de lucht neergeschoten te worden. Het andere element van zien en gezien worden, is dat de houding van mensen in relatie tot de lucht boven hun hoofd verandert.

Willem Schinkel: Dat klopt. Mensen passen zich aan aan de kennis geobserveerd te worden. Dat problematiseert de aanname dat je door boven mensen te vliegen kan zien wat ze doen, want zij passen zich aan. In Afghanistan hielden stamhoofden vroeger, tot een paar jaar terug, buiten overleg. Dat doen ze niet meer, omdat ze weten dat aan de andere kant van de wereld mensen zouden kunnen denken, dat ze een terroristische aanslag beramen. Zij passen zich aan en gaan vaker naar binnen. Daaruit concluderen de Amerikanen dat ze secretive bezig zijn, want ze zijn de hele tijd binnen. Dus willen de Amerikanen microvehicles, drones die eruitzien als vogeltjes of als insecten. Die kunnen door een raam naar binnen, vliegen voor je hoofd en schieten je dwars door je hoofd heen. Er vindt een permanent spel van actie en reactie ten opzichte van surveillance plaats, terwijl de surveillance aangepast wordt aan de werkelijkheid die het zelf veranderd heeft. Dat laat zien dat de werkelijkheid niet door de surveillance gerepresenteerd wordt.

Eva Sancho Rodriguez: Dank jullie wel voor jullie aandacht en vragen, dank aan onze twee sprekers en aan de organisatie van Drift voor de uitnodiging.

 

 

References

Tijdens het tafelgesprek werd een fragment getoond uit de film Unseen War (2013), bereikbaar via: https://exposingtheinvisible.org/films/unseen-war/

Festival Drift is een filosofiefestival dat jaarlijks plaatsvindt in Amsterdam en georganiseerd wordt door een collectief van filosofiestudenten van de Universiteit van Amsterdam. De editie van 2015 had als thema: De chaos tegemoet. Dit tafelgesprek verscheen eerder in andere vorm in de publicatie van Drift 2015 dat is via hun website digital beschikbaar gesteld. In 2017 vindt Festival Drift plaats op 13 mei 2017. Voor meer informative: www.festivaldrift.nl

Biography

Willem Schinkel

Willem Schinkel is Professor of Social Theory at Erasmus University Rotterdam and vice-chair of The Young Academy of the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences.

Rogier van Reekum

Rogier van Reekum is a postdoctoral researcher at the department of Sociology of Erasmus University Rotter-dam. He is part of the Monitoring Modernity project (ERC starting grant) supervised by Prof. dr. Willem Schinkel (see: www.monitoringmodernity.eu). Within the project he is conducting research into the visualisation of irregu-lar migration across Europe. Rogier wrote his dissertation at the AISSR (UvA) on public and political debates over Dutchness (1972-2008) and published on nationalism, place making, citizenship politics, immigration policy and education. He is editor at Sociologie and Krisis, journal for contemporary philosophy.

Eva Sancho Rodriguez

Eva Sancho Rodriguez is verbonden aan de capaciteitsgroep Media en Cultuur van de Universiteit van Amsterdam en is redactielid van Krisis.