Issue 1, 2017

The promise of modernity’s drone-assisted conquest of air space is far from uncomplicated. As unmanned air vehicles become more ubiquitous, with implementations ranging from intelligence-gathering and covert military attacks to cultural production and everyday logistics, this special issue of Krisis captures the technical, aesthetic, economic, psychic, and political challenges facing the rise of the drone. 

To invoke and provoke the everyday, Rob Stone opens the issue by bringing home the unease of displaced technologies through sonic imagination and biomimicry. Moving from patterned cacophonies to discursive shifts, Øyvind Vågnes evaluates the role of euphemism in shaping public perception of the so-called War On Terror. Alex Edney-Browne’s article tackles the prominent image of the drone operator as PlayStation killer head-on by questioning the assumption that the virtualization of violence yields a decrease in empathy, argues that mediation can also constitute feelings of proximity and stimulate peer-recognition. Halbe Kuipers’ article reflects on the metaphysical and ethical implications of image-making when drones participate in filmic world-making. A 2015 debate transcript follows, in which Krisis’s own Eva Sancho Rodriguez moderates a discussion between Willem Schinkel and Rogier van Reekum.  The issue ends with two book reviews: Sigmund Bruno Schilpzand  on Grégoire Chamayous’s A Theory of the Drone and Tobias Burgers  on Ian Shaw’s Predator Empire: Drone Warfare and Full Spectrum Dominance.

The image is a fragment of Ruben Pater’s Drone Survival Guide

Dronedeutung: een tafelgesprek op festival Drift

Naar aanleiding van het komende Dronedeutung-nummer verzorgde Krisis in 2015 tijdens Drift een tafelgesprek: De chaos tegemoet. Drift is een wijsgerig festival dat jaarlijks georganiseerd wordt door filosofiestudenten in Amsterdam. Onder leiding van redactielid Eva Sancho Rodriguez duidden Willem Schinkel en Rogier van Reekum het fenomeen drone.

Willem Schinkel: Mijn interesse in drones heeft te maken met surveillance en de gevolgen van drones voor wat oorlog is. Ik heb het eigenlijk alleen maar over vliegende drones en meestal ook over bewapende drones. Specifiek ben ik geïnteresseerd in de manier waarop drones bijdragen aan de verandering in een mens zien. De fantasie om op afstand bommen te gooien is niet een heel recente. In de Eerste Wereldoorlog heeft men daar al mee geëxperimenteerd, maar die pogingen zijn allemaal gecrasht. Tegenwoordig zijn dergelijke fantasieën professioneler, en zijn het eigenlijk geen fantasieën meer. Bij General Atomics kan je een Reaper-drone kopen voor ongeveer 40 miljoen dollar, meen ik. Nederland heeft er net vier van aangeschaft. Die zijn vooralsnog onbewapend, maar daar gaan zonder problemen zogenaamde Hellfire-missiles op. Deze drones storten trouwens vaak neer; één op de drie schijnt nog steeds uit zichzelf neer te storten. Voor Nederland belooft dat heel wat … vliegen vooral in de buurt van Amsterdam [gelach]. Het punt is natuurlijk dat ze alleen elders op de wereld vliegen. Daar ga ik het over hebben.

Om nu te begrijpen wat er gebeurt als we de wereld observeren met onbemande vliegtuigen, is het aardig om de geschiedenis van de mechanisering van het zien te begrijpen. Deze geschiedenis begint eeuwen terug, maar specifiek met betrekking tot robots vind ik het volgende interessant. De eerste robot komt uit een Weens toneelstuk uit 1920 van de gebroeders Čapek, dat Rossums Universal-Robots heet, afgeleid van het Tsjechische robota dat slaaf betekent. Dit toneelstuk speelt eigenlijk met de omkering daarvan. De robots worden in eerste instantie door de industrie ingezet, vervolgens krijgen zij bewustzijn en daarna domineren zij de mens. Dat is een thema dat nog steeds bestaat. Het idee dat alles wat bewustzijn krijgt, meteen wil domineren en overheersen, is op zich vreemd. Het thema komt bijvoorbeeld ook sterk naar voren in de context van het Bauhaus. De Bauhausexperimenten hadden betrekking op de vermenging van kunst, technologie en leven. Daar was het idee dat het zien algoritmisch uitdrukbaar is in de vorm van logische patronen die door mens-machinekoppelingen in de ruimte tot stand komen.

Deze twintigste-eeuwse culturele achtergronden gaan vooraf aan de manier waarop wij tegenwoordig via drones de wereld observeren. Een decor van Xanti Schawinksy op het Black Mountain College in de Verenigde Staten, waar velen van het Bauhaus heengegaan zijn nadat de nazi’s aan de macht kwamen, toont het rationele calculeerbare oog in de lucht, volledig losgemaakt van een lichaam. Dit oog bestrijkt alle domeinen van het leven. Dat is denk ik een adequate omschrijving van de toestand waarin we ons tegenwoordig bevinden. Het zien van drones is zeer vernetwerkt en gedistribueerd. Allerlei verschillende locaties (in de VS, Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Korea) en de verbindingen daartussen zijn nodig om überhaupt de wereld waar te nemen vanuit een drone. Dus het is eigenlijk verkeerd om te zeggen dat een drone de wereld waarneemt. Daar is een compleet netwerk van actoren, van verschillende plaatsen voor nodig, en dáár vindt dat zicht plaats. Dat zicht komt tot stand door een heel netwerk van selectie, interpretatie, overleg en is dus niet een soort objectief oog in de lucht, maar een systeem of netwerk dat tot objectiviteit besluit. Heel specifiek gaat het tegenwoordig in de Verenigde Staten, het land met de meest geavanceerde systemen hiervoor, om programma’s met namen als Gorgon Stare of Argus; allemaal verschrikkelijke namen, wat op zich ook veelzeggend is natuurlijk.

Het model van monitoring passen we steeds vaker op onszelf toe. We hebben nauwe feedbackkoppelingen met het monitoren van ons eigen leven. Een recent voorbeeld is een vader wiens achtjarige dochter alleen naar school wilde lopen. Dat is in de Verenigde Staten überhaupt al een heel ding, maar deze vader besloot haar te volgen met een drone. Interessant daarin is dat op het moment dat haar iets overkomt, de vader helemaal niets kan doen. Hij kan alleen zien dat ze meegenomen wordt, of dat ze aangereden wordt. Daar ging het hem om, want hij zegt letterlijk: ‘it was kind of a thing just to keep an eye, just to make sure she was looking both ways, let her know that daddy is always watching’. Dat laatste is misschien wel het allerergste. Een soort god-complex, maar dat is iets wat we tegenwoordig allemaal in zekere mate hebben. Interessant is dat er een soort training van het zien van de dochter plaatsvindt. De vader wil via zijn gedistribueerde oog kijken of zij wel alle kanten opkijkt. De manier waarop hij er altijd voor zijn dochter is, is door altijd in afwezigheid mee te kijken. Drones dragen op deze manier bij aan een andere vormgeving van onze meest primaire relaties.

Maar hoe zien we de ander hiermee? De badge die drone-operators in de Verenigde Staten die met de Reaper-drone werken op hun kleren dragen, spreekt niet direct de wens uit de ander als mens te zien die iets van ons vraagt; het zijn niet echt levinasianen. Dat spreekt ook uit de taal: Reaper, dat komt van Grim Reaper, Predator, Gorgon Stare, Hellfire missiles, Global Hawk. Die taal moet iets duidelijk maken. Maar veel politieker wordt het als je naar de badge kijkt van de afdeling bij het Amerikaanse leger die uit sensor-operators bestaat. Daarop staat ‘no country too sovereign’, wat wijst op een heel sterk geopolitiek effect van drones. Drones hebben geen respect voor grenzen. Ze zijn typisch voor een vorm van hedendaags imperialisme, dat zij mede mogelijk maken. ‘No country too sovereign’ is een imperialistische uitspraak, een praktische waarheid, omdat drones relatief gemakkelijk opereren onder de soevereiniteit van andere staten, maar vooral omdat die staten zwakker zijn dan de Verenigde Staten. Vorig jaar nog zei Joseph Votel, hoofd Joint Special Operations Command in de Verenigde Staten: ‘we want to be everywhere, know everything and we want to predict what happens next’. Dat is gewoon imperialisme.

Wat we niet moeten doen bij het denken over dit soort dingen is de drones naturaliseren door ze te begrijpen als een volgende stap in de technologie, zoals pijl- en boogschieten ook al betekent dat je op afstand te werk gaat, en dat dat is hoe technologie werkt. We moeten ook niet technodeterministisch denken; drones zijn onnauwkeurig, ondanks alle precisieretoriek die het leger naar voren brengt. Als je de transcripten leest van drone-operators die gruwelijke fouten maken, dan zeggen zij bij het zien van kinderen dat zij oud genoeg zijn om een rifle te dragen. Tegelijkertijd, als blijkt dat ze driejarige kinderen vermoord hebben, zeggen zij dat zij dat niet konden zien op de korrelige beelden. We moeten dus absoluut niet technodeterministisch denken, noch techno-optimistisch, noch pessimistisch: we moeten drones politiseren. We moeten in eerste instantie de vraag stellen: hoe wordt een mens überhaupt zichtbaar? Als dit de manier is waarop we naar mensen kijken en op basis waarvan we besluiten wie we aanvallen, wat betekent dat dan voor hoe we mensen eigenlijk zien? We moeten ook vragen naar de locus van beslissingen. Vroeger was er sprake van een heldere chain of command. Nu is het zo dat de nerds die bepaalde algoritmes maken de drones medebesturen. Algoritmes nemen heel belangrijke beslissingen, terwijl dat volledig uit het publieke oog verdwenen is; we hebben daar geen politiek zicht op. Ook moeten we het hebben over de imperialistische houding, over de asymmetrie in de wereld en over het feit dat dat op een dag naar ons terugkomt. Er zijn al pogingen van terroristen geweest om met drones aanvallen in het westen te plegen en mijn gok is dat dat binnen tien jaar ook absoluut gebeurt, en dat dat soort aanvallen heel lastig aan te pakken zijn.

In Afghanistan leven dorpelingen onder een constant regime van angst voor drones. Toen een Reaper-drone was neergestort, zoals deze dus nogal eens doen, besloten zij de drone te stenigen. Bij het zien van de video-opnamen daarvan kreeg ik een beetje medelijden met de drone; de gebeurtenis speelt enorm sterk in op de mens-machinerelatie. De drone ligt daar blind en hulpeloos voor die mensen en wordt gestenigd. Dat is een hele rare emotie, waarvan ik nog niet helemaal zeker weet wat ik ermee moet. Maar ik denk dat op het moment dat we compassie met de drone kunnen krijgen, we ook misschien ergens zijn. Dat gevoel moeten we filosofisch duiden.

Rogier van Reekum: Ik ben redactielid van Krisis en één van de mensen die heeft nagedacht over wat we als tijdschrift willen met het thema van drones. Een van de redenen waarom de redactie dacht dat drones tot de verbeelding spreken, is omdat ze een belofte van de moderniteit lijken in te willigen. De moderniteit heeft veel verschillende betekenissen, maar één daarvan is de fantasie van een voortdurende verdere verfijning van de controle over de omgeving via technische middelen. Drones lijken daar een volgende stap in te beloven.

Lange tijd was het luchtruim onbenaderbaar, we hadden alleen piloten – een hele selecte groep mensen, durfallen, bijzondere mensen, specialistisch getraind – die het luchtruim konden penetreren. Drones lijken democratisering te beloven: een democratische toegang via technische middelen tot het luchtruim. Drones openen het luchtruim ook voor dagelijks gebruik, zoals de snelwegen voor het gebruik van de auto het land open hebben gebroken. Drones lijken net zo’n soort fantasie van de toekomst of belofte van de moderniteit in te willigen. Dat resoneert met wat Willem Schinkel net heeft gezegd: hebben we het alleen over een inwilliging van de belofte van het penetreren van het luchtruim, of ook over een kolonisering van dat luchtruim? Dat wil zeggen, gaat het veroveren van het luchtruim gepaard met asymmetrie, met imperialisme, met allerlei consequenties, met partijen die daar verder in zijn en partijen die daar de consequenties van merken.

Mijn eigen onderzoek richt zich op de visualisering van migratie. Nu is het zo dat een partij zoals Frontex, de Europese grensbewakingsorganisatie, tests doet en zo nu en dan dronetechnologie gebruikt, onder andere in Griekenland. Specifieker vindt dat niet in Griekenland, maar boven Griekenland plaats. Eén van de interessante dingen die je daar ziet, is dat de kolonisering van het luchtruim plotseling heel erg veel te maken krijgt met het domineren van het aardoppervlak. Daarmee wordt iets opnieuw belangrijk, dat lange tijd minder belangrijk was: de categorie van terrein. Lang was ruimte als territorium erg belangrijk, zoals je die bijvoorbeeld op een kaart ziet. Dronetechnologie maakt ruimte in termen van terrein weer veel belangrijker, omdat vanuit het zicht van een drone belangrijker is waar je je in termen van terrein bevindt en in hoeverre vervolgens geïntervenieerd kan worden aan de hand van ofwel wat een drone kan doen ofwel de hoeveelheid intelligence die via drones vergaard wordt. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het gebruik van drones in de grenscontrole of in de collateral damage van ‘aanslagen’ die gepleegd worden door de Amerikaanse oorlogsmachine. Als je je dicht bij iemand bevindt die geselecteerd is om omgelegd te worden, dan word je daarmee niet vanwege een bepaalde status, maar simpelweg omdat je je in termen van terrein dicht bij iemand bevindt, plotseling gekwalificeerd als collateral damage. Daarmee worden andere eigenschappen dan nationaliteit belangrijk, in dit geval terrein. Dat is iets dat interessant is aan wat drones doen.

Eva Sancho Rodriguez: Voordat we aan het tafelgesprek beginnen, laten we een kort fragment zien van de documentaire Unseen War. James Bridle, een kunstenaar-activist, en Noortje Marres, filosoof en mediawetenschapper bij Goldsmith’s, praten hier over het meest gevonden dronebeeld via Google Images, een beeld dat we waarschijnlijk allemaal voor ons zien wanneer we aan drones denken. Maar juist dit beeld is gemaakt door een hobbyist in een 3D-modelleringsprogramma waar hij wat bergen achter heeft gephotoshopt. James Bridle vertelt dat dus zelfs het ‘zichtbare’ van de drones een illusie is. Maar volgens Noortje Marres weten we dondersgoed wat drones zijn. Er zijn ontzettend veel initiatieven, platforms, organisaties en informatie over drones, wat ze doen, wat hun impact is en wat de consequenties zijn. We hebben heel veel informatie, maar we denken dat deze niets zichtbaar maakt omdat ze niet effectief lijkt te zijn. Marres suggereert dat zichtbaarheid en onverschilligheid met elkaar verward worden.

Een eerste vraag aan jullie is naar aanleiding van de opmerking dat we heel veel informatie over drones hebben en er allerlei vormen van activisme zijn om die informatie zichtbaar te maken. Tegelijkertijd is het zo dat surveillancetechnologie er altijd in één keer is. Denken jullie dat wat er nu rondom drones gebeurt in het zichtbaar maken ervan anders zal zijn qua het wel of niet delibereren over wat voor surveillancetechnologie we hebben?

Rogier van Reekum: Ik heb het gevoel dat drones een hoog magnetrongehalte hebben. Wat ik daarmee bedoel is het inwilligen van de belofte van de moderniteit. Eind jaren tachtig heerste zo’n gevoel rondom de magnetron. Dat zou een fantastisch nieuw keukenapparaat zijn, maar bleek een stom ding waarmee je af en toe iets opwarmt. Ook rondom de drone hangt aan de ene kant de suggestie van een enorme technologische revolutie, maar tegelijkertijd kan het in datzelfde narratief van moderne vooruitgang van de technologie gepresenteerd worden. Dan is het gewoon de volgende logische stap, eigenlijk niets nieuws, maar slechts een middel om mensen in de gaten te kunnen houden. Dat we mensen in de gaten willen houden, is eigenlijk een heel aparte blik op technologie. Aan de ene kant willigt het allerlei fantastische verlangens in en tegelijkertijd is het een volgende logische stap van een proces dat al loopt. Dat maakt het politiseren ervan moeilijk.

Willem Schinkel: Wat het politiseren van drones vooral moeilijk maakt is dat drones een ultieme vorm van asymmetrische oorlogsvoering vertegenwoordigen in de zin dat je eigen soldaten geen risico lopen. Waar Amerika sinds Vietnam enorme problemen mee gehad heeft, zijn de zogenaamde body bags die naar huis komen. Op het moment dat je een wapen hebt waarbij dat risico niet bestaat, loop je heel dat secundaire risicomanagement uit de weg. Tegelijkertijd is er geen enkele democratische noodzaak om te controleren wat een overheid doet met zijn wapens, omdat je nooit ziet wie een been verloren heeft en er nooit iemand is die niet meer terugkomt, want je medesoldaten zitten naast je in de woestijn in Nevada andere mensen te vermoorden. Op dat moment verlies je eigenlijk alle interesse; oorlogsvoeren wordt iets dat we kunnen tolereren omdat we nooit te maken hebben met bekenden die ineens dood zijn.

Eva Sancho Rodriguez: Tegelijkertijd is het zo dat we nieuwsberichten op Nu.nl kunnen lezen over drones. Wat mij oprecht verbaast, is dat er bijvoorbeeld weerstand geweest is tegen de introductie van Google Glass. Dat werden al snel glassholes genoemd. Die magnetrontechnologie is mislukt en de ontwikkeling daarvan is stopgezet. We weten wellicht ergens in ons achterhoofd wat drones betekenen, ondanks het euforische aspect ervan. Wat maakt nu dat de ene technologie stukloopt en de andere omarmd wordt?

Willem Schinkel: Het is heel belangrijk dat we het hebben over ‘Dronedeutung’, maar we hebben het niet altijd over hetzelfde fenomeen. Waar ik het met name over heb, zijn weaponized drones die in de oorlogsvoering gebruikt worden. Dat is iets heel anders dan de drones die je op Bol.com voor 150 euro kunt kopen. Die vind ik ook wel leuk; ik ben nerd genoeg om die drones grappig te vinden. Waarom drones in de Verenigde Staten, en niet alleen daar (Israël is de grootste exporteur van gewapende drones in de wereld) zo populair zijn, is omdat er voor miljoenen bij het Amerikaanse Congres gelobbyd is door heel machtige bedrijven. Op dit moment trainen alle afdelingen van het Amerikaanse leger gezamenlijk meer drone- dan gewone piloten. Het Amerikaanse leger is zich dus volledig anders in gaan stellen. Recent stond er een bijdrage in NRC Handelsblad van een zeer schimmige club; lui die vinden dat we meer in defensie moeten investeren in Nederland. Die club bestaat uit ex-VVD’ers, CDA’ers en ex-PvdA’ers, en zij noemden ook heel subtiel ‘onbemande systemen’ waar we in moeten investeren. Daar schuilt een enorme macht en een enorm economisch belang achter, dat iets heel anders is dan die kleine drones die we gewoon ‘voor de leuk’ hebben. Overigens zijn Google en Facebook bezig met drones die internet vanuit de ruimte kunnen verspreiden. Amazon wil drones om pakjes te bezorgen. Er is dus een heel palet aan opties, waarbij je iedere keer specifiek moet kijken wat aantrekkelijk is voor wie.

Eva Sancho Rodriguez: Tijd voor vragen of opmerkingen uit de zaal. [Vraag vanuit het publiek] De vraag gaat over de manier waarop bestuurders van militaire drones enerzijds ruimtelijk ver weg van hun slachtoffers zitten, maar anderzijds heel dichtbij zijn. Zij kunnen alles van het dagelijks leven van hun slachtoffers zien door middel van camera’s, maar zijn tegelijkertijd heel ver weg.

Willem Schinkel: Dat is iets wat vaak gezegd wordt en ik denk dat het ten dele waar is, maar ook ten dele onwaar. Voor zover het waar is, moeten we daar heel erg mee oppassen. Dronepiloten zijn heel dicht bij hun slachtoffers omdat zij inderdaad uren achtereen dezelfde personen bekijken, maar zijn ook ver weg, omdat ze die personen helemaal niet goed kunnen zien. Ze kunnen bijvoorbeeld geen gezichten onderscheiden. Wanneer zie je een mens? Heb je daarvoor een gezicht nodig of niet? Ik noemde Levinas net grappend, maar het is de vraag wat je precies ziet als je zo’n korrelig beeld hebt – want die beelden zijn korrelig. Dat dronepiloten alles heel scherp zien, is een illusie. Anderzijds zien ze bijvoorbeeld mensen bidden, en denken dan terroristen te zien, want terroristen zouden bidden voordat zij iets doen. Dat is een letterlijk voorbeeld van een paar jaar terug, waarbij meer dan twintig mensen opgeblazen werden omdat ze gingen bidden. Recent is ook naar voren gekomen dat drone-operators meer last hebben van post-traumatic stress disorders dan reguliere piloten en zelfs soldaten in het veld. Daar moeten we heel erg mee oppassen. Misschien is het waar, maar anderzijds is het ook een manier om drone-operators tot soldaat te maken. Dat zegt ook Grégoire Chamayou in zijn recente boek. Om het beroep eervol te maken, lopen dronepiloten ook in een uniform, hebben zij een badge, en doen zij allemaal alsof ze soldaatje zijn, maar dat is ook een manier om hen te normaliseren.

Rogier van Reekum: Het is ook belangrijk je te realiseren dat veel van de drones die bijvoorbeeld in Pakistan, Jemen of dat soort plekken opereren, vliegen vanaf vliegvelden in Saudi-Arabië. Vanuit Nevada is er een infrastructuur nodig om dit soort dingen te kunnen doen. Dat veronderstelt een Amerikaans imperium, een overleg tussen Saudi-Arabië en de Verenigde Staten, allemaal zaken om die nabijheid en afstandelijkheid te organiseren. Die infrastructuur moet je ook meenemen in de bepaling wat veraf is, en wat dichtbij.

Willem Schinkel: Om bijvoorbeeld een Reaper-drone te vliegen en daarmee te surveilleren, heb je mensen nodig die in Nevada drone-operator zijn. Daar zitten sensor operators bij, meerdere mensen die meekijken. In Florida zitten mensen die alle data heel specifiek analyseren op intelligence. Vervolgens hebben ze teams in bijvoorbeeld Afghanistan. De vraag is: wie ziet? Als je communicatietranscripten terugleest, blijkt dat het zien zich vormt in overleg, en dat er besluiten genomen worden die uiteindelijk leiden tot aanslagen. Stel dat Rogier van Reekum doelwit is van een drone-attack. Als ik bij hem in de buurt sta, ben ik niet collateral damage. Ik ben een military aged male die direct betrokken is omdát ik in zijn buurt ben. Dat is per implicatie de manier waarop ik gezien word. De vraag daarbij blijft steeds wat zien eigenlijk is. Daarbij moeten we niet te snel denken aan het binoculaire proces waar we zelf dagelijks mee bezig zijn.

[Vraag uit publiek, onverstaanbaar]

Willem Schinkel: Er wordt gewerkt aan systemen die niet meer hoeven te landen en voortdurend bijgevuld kunnen worden. Soms hebben drones ook een eigen wil. Een aantal jaren terug opereerde Ierland op een vredesmissie ergens in Afrika een drone waarmee zij het contact kwijtraakten. Die drone dacht toen op eigen houtje naar Ierland terug te keren, maar had daar helemaal niet genoeg brandstof voor, dus is hij ergens halverwege neergestort. Dat komt wel in de buurt van wat je zegt. De vraag is of drones zo complex kunnen worden dat zij zelfbewustzijn krijgen, dat zij zelf besluiten kunnen nemen. Dan zou je kunnen hopen dat de drones besluiten iets beters te doen dan mensen afknallen, en besluiten andere drones af te gaan knallen. [gelach]

Opmerking uit publiek: Ik zag een filmpje van een Pakistaans meisje van een jaar of zes, dat het had over de heldere hemel. Als er geen bewolking is, dan zouden er geen drones komen en hoefde zij niet bang te zijn vanuit de lucht neergeschoten te worden. Het andere element van zien en gezien worden, is dat de houding van mensen in relatie tot de lucht boven hun hoofd verandert.

Willem Schinkel: Dat klopt. Mensen passen zich aan aan de kennis geobserveerd te worden. Dat problematiseert de aanname dat je door boven mensen te vliegen kan zien wat ze doen, want zij passen zich aan. In Afghanistan hielden stamhoofden vroeger, tot een paar jaar terug, buiten overleg. Dat doen ze niet meer, omdat ze weten dat aan de andere kant van de wereld mensen zouden kunnen denken, dat ze een terroristische aanslag beramen. Zij passen zich aan en gaan vaker naar binnen. Daaruit concluderen de Amerikanen dat ze secretive bezig zijn, want ze zijn de hele tijd binnen. Dus willen de Amerikanen microvehicles, drones die eruitzien als vogeltjes of als insecten. Die kunnen door een raam naar binnen, vliegen voor je hoofd en schieten je dwars door je hoofd heen. Er vindt een permanent spel van actie en reactie ten opzichte van surveillance plaats, terwijl de surveillance aangepast wordt aan de werkelijkheid die het zelf veranderd heeft. Dat laat zien dat de werkelijkheid niet door de surveillance gerepresenteerd wordt.

Eva Sancho Rodriguez: Dank jullie wel voor jullie aandacht en vragen, dank aan onze twee sprekers en aan de organisatie van Drift voor de uitnodiging.

 

 

Demonstrating Academic Worth

As we struggle over the future of academia, merely exposing the truth – that all that is public is melting into air – is not enough. We will have to develop new ways of demonstrating academic worth. Simply showing to the public that universities are being destroyed is not enough. As everyone and anything is fitted into regimes of indebtedness and thereby subject to programs of austerity, calls to protect ‘our university’ appear hopelessly particularistic. If public expenditures must be cut – as they must within the political economy of what Wolfgang Streeck calls the consolidation state (Streeck 2015) – highly privileged sectors of the educational industry can hardly be exempted. It is, I think, a mistake to assume that publics under such a regime will be persuaded by accounts of the destruction of academia that focus on the problems academics are faced with. Most people are not academics, and have no interest in becoming academics. They have meagre means of realising why they ought to care about them. It is however equally mistaken to conclude that academic worth must therefore be conceived and articulated from the position of the non-academic outsiders – as if to imagine oneself in the position of a consuming audience and thus sense what the others might desire from us. Just as outsiders have little sense of why they should care about the destruction of academia, they have also little sense of what would, alternatively, be worthwhile about academic work. Instead of presuming to know what the public wants and catering to such – often very regressive – aims, I propose to think about alternative modes of academic worth from the inside out. I will propose the concept of demonstration as a name for this kind of public value. While the question of demonstration opens a field of issues about ways in which publics can be engaged, I want to pitch my questioning at the level of method and inquiry. If we – academics – ourselves cannot support alternative demonstrations of academic worth at the scale of our own inquiries, we have no business persuading others – taxpayers, students and other publics – of this worth. That is, if we choose not to cynically deceive our clients. So how do we envision academic worth and what alternative might we have?

 

Between a rock and a hard place

More often than not academic worth is envisioned in two different ways. First, there is the vision of a knowledge economy. Under this rubric, the entire world of academic practice is thought to ‘add value’ to something that is often called ‘the economy’ or, in a more generous sense, ‘society’. However, the vision of a knowledge economy is far more radical than the mere commodification of academic labour. It is not that universities are being transformed into factories that ought to bring its products to market, although that is sometimes part of it. The university, particularly its late 19th and 20th century instantiations, was always located at the cross roads of specific supplies and demands. The factory-market metaphor is too shallow. Universities can be coupled to many fields other than ‘the market’ or ‘the economy’ and nonetheless be turned into ‘knowledge economies’.

What the vision of the knowledge economy proposes is the invention of value metrics that can be attached to anything that moves – workers, papers, patents, departments, schools – and thereby allows players to coordinate their strategies. The neoliberalisation of academia is not the introduction of market discipline from the outside but the proliferation of capitalist controls within academic labouring. Even if academic workers are not forced to ‘increase production’ or ‘valorise’ their work in terms of ‘economic’ output or ‘industrial’ yields, they may nonetheless begin to control themselves, others and their work in relation to generalised metrics of value: citations, awards, recognitions, career opportunities, patents, grants, titles, publications, attention, compliments, notoriety. In Marxist terms, we control ourselves and others through a fetishisation of value.

Now, we may take on a cynical outlook and say that, objectively, fields of knowledge production differentiate and are differentiated through one value and one value alone: the academic capital called ‘Reputation’ (Bourdieu 1988). If such a cynical outlook represents ‘objectivism’, the vision of the knowledge economy is precisely its opposite: subjectivism. We are not asked to recognise the objectivity of academic production, in which case it would still make sense to demonstrate the falsity of such an analysis. Rather, we are asked to perceive academic work as a field of opportunities for acquiring academic esteem. Or, as Richard Rorty aptly put it: “Truth is what your contemporaries let you get away with.” (1979: 176). The invention of quantified performance indicators are but one deliberate tool in such a pedagogy of entrepreneurialism. The more radical idea behind them is that we approach our practices as so many opportunities to profit from our competitors’ informational lags. We are living in Gary Becker’s wet dreams. Thus, any method of outwitting one’s colleagues is granted as long as one scores points in the fetishized metrics of value, however vaguely defined, and all the better if one doesn’t actually believe in them.[i]

Like all forms of capitalism (Boltanksi and Chiapello 2005), the knowledge economy lacks practical criteria of its own and can only be sustained through the exploitation of that which still resists it. Only as long as my colleagues pretend to actually believe in metrics of value can I get away with outwitting them in whatever it is “added value” demands of us without the illusion of “academic expertise” being unmasked as the mere manipulation of other people’s anticipations. Whether those other people are industry executives, policy-makers, citizens, journalists, victims, venture capitalists, academic managers, stock brokers or my very own colleagues is not all that relevant. Even if the metrics of value refer to measures of value assumed to be internal to science – truth, validity, reliability, replicability, etc. – we are already compelled and compel others to keep up appearances.

Demonstrating worth in the knowledge economy basically means impressing as many people as possible of the idea that what I am doing is impressive or, better yet, will be immensely impressive in the future. The knowledge economy is prone to alternate between booms and busts, between academic celebrity and scandals of foul play. But who cares as long as the wheels keep rolling? The knowledge economy is not capable of demonstrating worth other than through Public Relations.

The second vision of academic worth comes in the form of a representist democracy. Here, academia exists in service of the citizenry. This vision conceives of the university as yet another domain of privilege and authority that is opened up to public accountability and legitimation. It envisions a past of ivory towers and professorial dogmatism in order to project a future of public deliberation and fairness. While it may be highly suspect of the truth-claims made by science, biased as it is towards the concerns of insiders, it also glorifies the academic capacity to settle disputes. It envisions the university as the place where true tests of veracity can be made and scepticism reigns unobstructed. The problem is not authoritative truth claims as such, but academic isolation and scholasticism that distort settlements of disputes. The vision of a representist democracy proposes to redirect the consensus-procedures of academic communities to public disputes. Academics are thus asked to take on some of the work that parliament does in representative democracies: figuring out what can be done about public problems. This means that academics should stop resolving their collegial quarrels – scholastic, theoretical, detached, indulgent – and get to work on public dilemmas. Academics ought to translate ideological cleavages into competing truth-claims and test their truthfulness with the best research available. In this view, academia provides a curious kind of discourse, composed of facts and nothing but facts, which enables citizens to speak truth to power. The entire academic community becomes the citizenry’s army in its on-going battle against false consciousness.

The pinnacle of this assault on idolatry and received wisdom is given by the idea of ‘evidence-based policy’. It is not just that ‘fact free politics’ ought to be combated and that the efficacy of public policy ought to be ascertained. The vision of representist democracy seeks to interlink civic representation to the representativity of causal claims. What is tested in the randomised controlled trials of evidence-based policy evaluation is not merely the causal efficacy of policy measures – if they really work – but the question of whether those measures and their effects can be generalised to the civic population – if they work for all in equal measure. Evidence for causal efficacy is generated precisely by testing whether or not a measure is effective for the citizenry-as-a-whole. In other words, each citizen is given an equal right to governmental efficacy. Facts become more factual insofar as they are, or can become, equally effective for all citizens. Even the most impractical research pursuits are to be justified in view of this civic-popular receptivity. Research is about facts and facts are precisely those truths that can be generalised and applied to all citizens.

The vision of a representist democracy is presentist in a double sense. First, it envisions the citizenry to be a homogenous and well-delineated entity: the population. The citizenry is always already present and identical. Of course, effects appear to contradict each other, they are not the same for everyone as they only take effect in the particular circumstances of each unique person. By inventing stable dimensions of difference – demographics – that count for everyone in equal measure, research may nonetheless represent the undivided citizenry to itself. Non-generalizable differences do not count. Such research designs enables democracy to reach behind the veil of ignorance and represent effects in relation to a citizenry-without-differences, but only by assuming that the citizenry is a finite set with well-defined characteristics. Thus: What is fair is factual and what is factual is fair.

Second, the facts revealed in this way are considered causal mechanisms out there in reality. Contradicting them is useless as they are present nonetheless. This way of speaking the truth depends on a curious bifurcation. On the one hand, there is the order of ‘free opinion’ in which anything can be uttered for whatever reason. Here, contradiction reigns supreme. On the other hand, there is the order of ‘unfree facts’ in which contradiction is futile. Now, of course, in a democracy one cannot be forced to speak the truth. It is entirely up to us to exercise our freedom of speech. In this vision: Either we speak the truth, by submitting our opinions to the laws of nature, or our speech is merely expressive and, thus, nothing more than the fact of being uttered. Either disputes are about factual efficacies, resolvable through validated evidence, or they are themselves facts and their resolution becomes a matter of causally effecting them in the right way. Democratic politics is either the scientific resolution of competing efficacy claims – managerialism – or the effective manipulation of non-truthful discord – managerialism.

Demonstrating worth is a matter of civic servicing. Research is done in the name of the citizenry, at its behest and pleasure. It is a service to the public as each citizen is granted the right to equally effective government. It is also a servicing of the public as each civic utterance is judged to be either a statement of fact or the fact of statement. Research is not so much a public good as it is in the public’s good. This good is mainly sanitary. The house of democracy is cleansed of wasteful contradictions by academic clean-up. The vision is of a representist democracy capable of sanitising the public sphere in which academics appear as little more than experts in effective house-keeping, aids to the managers of the manor.

Neither of the two visions available today – the knowledge economy or the representist democracy – can accommodate an adequate discussion about what it means to demonstrate academic worth. The knowledge economy effectively destroys the bonds that keep academic practitioners together and proposes that we exploit our residual fidelity to metrics of value, whatever they may be for the moment, as a way of keeping the show on the road. The representist democracy provides a rational basis for democratic politics – facts – only by reducing this politics itself to a series of facts called ‘causes’ and ‘opinions’. These visions are, in crucial ways, opposed to each other. While the first decouples science from anything other than what, currently, counts as value, the second fixes science into the role of service provider. What the latter fixes, the former seeks to break free from. What the former exploits, the latter seeks to redistribute. It is not uncommon, however, to encounter both visions in some kind of anxious embrace. It can be proposed, for instance, that it is in the public’s good to construct a knowledge economy, a market-place of ideas, a global competition for the best and the brightest. In short: to strive for the one thing everyone must believe in…Innovation. Conversely, it can be proposed that specifically civic metrics of value are what ought to occupy the strategic agendas of academic entrepreneurs – that public expenditures in academia can only be sustained if ‘social value’ can be demonstrated. Moreover, these two proposals are easily connected into an evocative loop: it is in the public’s good to construct a knowledge economy and this knowledge economy is best expressed in metrics of civic interest. The addition of value is to be evidence-based and well-based evidence is that which adds value. In this way, a presentist belief in the facts-as-they-are, and an entrepreneurial unbelief in value-as-it-is-counted, can be tightly coupled together to compose a new spirit of academic capitalism. What Niels Bohr said of superstition – that it works even if you don’t believe in it – is now true of academic practice itself.

 

The monstrosity of experimental activism

There are always alternatives. One such alternative is envisioned by what I’d call a monstrous alliance of experimental activism. This is a monstrous alliance because experimentalists and activists are, in many ways, at odds with each other. I have in mind here two tendencies in counter-hegemonic practices that seek to contest the new spirit of academic capitalism in two different ways. These two tendencies – experimentalism and activism – can be defined by explicating their mutual discordances.

To the frustration of activists, the experimentalists maintain that there is always hope, always new ways of doing things, always possibilities for tinkering with the existing order. Experimentalists think the solution is change, the making of new relations. To the fatigue of experimentalists, the activists hold that there is no time to waste, actions needs to be taken sooner not later, and an unreserved partiality to the dominated, the outsiders, the subaltern, the downtrodden and stigmatised is to be promoted and sustained. Activists think change is the solution, the dissolution of old structures. While experimentalists believe in action, they do not believe in any priority of ‘the cause’. And while activists believe in creativity, they do not believe in moderation. Activists tend to renounce experimentalism as ‘liberal’. Experimentalists tend to placate activism as ‘unproductive’. Yet, there is also an alliance in the making.

What brings both tendencies together, I want to argue, is a vision of academia in which research – instead of any truth-procedure as such – is life. Both already accept what ethnomethodology proclaims: that we ought to do methodical research into methods. Research is taken to be a specific folding back of life’s methods onto its procession. Life acts methodically and it is this aspect of living – how things are done – that academics seek to attend to and, in a sense, demonstrate. Both activists and experimentalists share a reflexive vision of method as they take it to be inextricably entangled with, what Stengers calls, an ecology of practices (2010). Thus, their common enemy is a positivist/presentist position that seeks to uncouple inquiry from its ecology by way of methodological terror – ‘The’ scientific method – or epistemological common sense – black boxes of all kinds. Experimentalists and activists advocate entanglement to be the very reason for doing academic work and cannot help but take inquiry itself to be a reason to be alive. Science is a calling, a biography more than a career. What would it mean to demonstrate worth if it entails the methodical inquiry into the methods of being alive?

My argument hinges on the term ‘demonstration’. It carries into the discussion a useful bundle of associations: acting, protesting, performing, proving, teaching, showing, testing, even impressing and, above all, wondering. Demonstration seems to be a practice that can move between all these registers. We may demonstrate worth in all of these senses and, crucially, none of them can be principally rejected. All of them count in experimental activism. What matters then is doing research and thereby demonstrating ways of living. This is where both the knowledge economy and the representist democracy falter. Both seek to marry the demonstrative efforts of academic practice to concerns that annul life into value-for-the-time-being or facts-without-responsibility. In contrast, demonstration is not the publication of the impressive or the presentation of the indisputable. Experimental activism is the always partial interruption of what is already the case by which the enduring actuality of non-necessity is demonstrated:

To demonstrate how acids do when we work with them this way; to demonstrate how political grievances do when you work with them that way; to demonstrate how archives do when we work with them another way; to constantly propose linkages and translations between the lab and the clinic, the argumentation and the debate, the test and the implement, academic imagination and public truth. In short, to demonstrate that common worlds can unfold from the merely apparent solipsism and very real loneliness of creative expertise and inquisitive dedication.

In an ecology of practices, academia and the work that goes on there become sites of hesitation, unfolding, recombination and monstrosities. Where the knowledge economy asks us, although not politely, to govern our inquisitive enterprises and the representist democracy offers us the role of service-providers, I want to imagine the university as a place where matters-at-hand acquire – always partial – non-necessity. If academic capitalism is the anxious necessity of lock-step relations in the ecology of practices, steered through values-anticipated or legitimated by causalities-proven, then academic worth revolves around the subversion of such idle necessity by methodically demonstrating how life does when we are doing it.

The university that not only harbours but would actually give experimental activists a home is a transgressive place, a utopia, as the very reason to do research is to constantly transgress the boundary between “academic” and “non-academic” practices, to break out of the home. The question of what this new university looks like can thus not be answered from the outside by way of a governance model, as if “democratisation” can be supplanted onto academia. Sure, we might choose to tolerate one or another of such “democratic” models when it is offered to us. The hard work of negotiating over such models is certainly not irrelevant. Yet, we should also work from the inside out and take seriously the responses this provokes from the people that are paid to rule us and allow us to work. To pretend to build – once and for all – the transgressive university that we think we want, is – I think – non-sense. The matter-at-hand is demonstration. We should demonstrate, from the inside out, how a methodological research into methods adds to our capacities to live in a greater variety of ways. We thereby always already remain at a distance from the value-metrics and self-evidences in any of the governance models that are offered to us.

The New University

This special issue of Krisis deals with the future of the university and academic life more broadly. Is a new university possible and if so, what should it look like and how do we work towards it?

The idea and, in fact, the desire for a special issue on this topic was provoked by an event that was at the same time sudden, surprising, wildly effective, deeply affective, long-awaited, strangely evolving, quickly improvised, hopeful, frustrating, maddening, dangerous, violent, multi-sited, unpredictable yet all-too-familiar – an event that, as it took place, quickly became associated with its most prominent locale, the Maagdenhuis in Amsterdam. This building, housing the executive board and central administration of the University of Amsterdam in the centre of the capital city, was where a galvanising protest of students and faculty became most eminently visible in the early spring of 2015. After a string of occupations of university buildings throughout the city, most notably the Bungehuis, it was the eventual claiming of the Maagdenhuis that not only skyrocketed the protests into the light of national media platforms but also entailed a direct, material confrontation with a centre of academic power. Being the site of well-known and at times nostalgically memorialised protests of what is now referred to as the ‘sixties generation’, the appropriation of this building by students and the paternalist response by the executive board of the university, covered live on TV and twitter, turned a longstanding and escalating confrontation between students and faculty on the one hand, concerned about the managerial containment of academic life, and administrators on the other, who claimed to be motivated by ensuring competiveness and excellence, into a full-fledged insurgency able to garner expanding support among national and international audiences. The protest quickly succeeded in clearing from the table plans for top-down reform and forced the administrators to attend to the protests instead of carrying on business as usual. Moreover, the Maagdenhuis protest was rapidly fuelling and being fuelled by remarkably similar protest across European cities, such as Vienna, Warsaw, London and Oslo.

Whereas the great student protests of recent European memory were fights between students and faculty, the former claiming a seat at the table and the latter protecting the corporatist order, this moment of protest was quite different, even if resemblances to past ‘revolutions’ helped to sanctify it with the gloss of progress. Like all successful protest, the events at and around the Maagdenhuis had many sources. Much of the mobilisation came from the humanities, where reform after reform increasingly ate away at the idea that the humanities in any real sense of the term could remain a viable part of the university as the central planners were shaping it. Push also came from other directions, such as the more theoretical and detached sections of the natural sciences. Students in many disciplines critiqued the commodification of their time at university into individualised production of human capital, as explicitly aimed for by both university administrations and a string of ministers of education. The fact that the university is both in terms of demographics and in terms of curricula still overwhelmingly white, male and heteronormative was another source of the protests. Yet, what eventually melded together this web of critiques and movements was a forceful antagonism with what was the very basis upon which public institutions were said to function in accepted political discourse: added value.

As in so many liberal democracies, a certain understanding of ‘added value’ became received wisdom in Dutch politics over the past forty years: public institutions could only and would only be financed in so far as they produced ‘goods’ – health, security, housing, applicable knowledge, human capital, cultural homogeneity, behavioural conformity, etc. – that would enable the ‘growth’ of the financial means of society and the state. It was this ideologically engrained bottom line that eventually gave way when it was shown that extra-parliamentary actions – taking over a public building and performing one’s own idea of academic life within it – could not only draw support from faculty and civil society and kick-start a public debate but actually halt the supposedly inevitable reforms that academic managers were implementing. In contradiction to Thatcher’s famous line: there were alternatives after all!

The energy of surprise and enthusiasm released by the protests should not be underestimated. The fact that direct and confrontational action ‘worked’, that it was even taken seriously and responded to, is somewhat of an anomaly for Dutch political circumstances and seemed to open up new horizons. Dutch political culture prescribes that all changes in policy follow from restrained and institutionalised negotiations between carefully regulated representative bodies. ‘Wild’ and ‘negative’ protests are to be redirected to such ritualistic negotiations or simply side-lined as ‘ideological’ and ‘unproductive’. While these familiar attempts at delegitimation were immediately mobilised against the protests leading up to and following the appropriation of the Maagdenhuis, they failed to derail the movement, not least because the protesters were outperforming the university’s PR machinery on social median and soon also in the traditional media. In fact, such attempts seemed to only affirm the case of the protesters: academic managers are unable to respond to discontent and criticism without managerial domineering. One explanation could be that management appeared to be protecting their own privileges and trying to cover up financial misdeeds. So while university students and faculty could quite easily be dubbed ‘elitist’ in Machiavellian attempts to turn wider publics against those who seemed to exempt themselves from ongoing austerity politics – a strategy that was very effective a few years earlier when budgets for arts and culture we ruthlessly cut – that same discourse of anti-elitism applied even more so to the ‘managerial class’ whose hoarding of public funds were being contested by the protesters.

It is impossible to describe in any detail here how the protests in Amsterdam developed and resonated with similar movements elsewhere. Nor is it clear at this point what those protest will mean for the future governance of and life at the University of Amsterdam – beyond the impressive immediate achievements of the stepping down of the university’s president and the promise of the board to support two independent committees set up by the academic community, with the tasks of investigating the financial situation of the university and of developing proposals for its decentralization and democratization. The aim of our special issue lies in a different direction. We strove to capture some of the imaginative energy that was released by the events this spring. We hope to document, exchange and inject some of the emerging arguments and ideas that are going around about the future of the university. Even if the direct outcomes of the protests will not satisfy on all accounts, the current systems of control over universities have suffered severe damage and will be undergoing far-reaching reconstruction in the coming period. The public debate about this future has just begun. It is in this light that Krisis wants to provide a platform for something that should not be forgotten between all of the meetings, policy papers, negotiations, late night emails and planning: thinking out loud.

The university is in dire need of ideas, and they don’t come cheap. Krisis wants to do its part in creating and spreading new ideas. In preparing this special issue, we were interested both in analyses of protests and the changing governance of universities, in the Netherlands and elsewhere, and in projective ideas about the potential future(s) of a new university. The special issue brings together a range of essays and interventions that radiate the concern, anger and passion surrounding these issues while also developing new concepts and imaginaries of what academic life is and could be.

Writing in response to moments of rupture and protest is complicated. Such writing does, at least, three things all at once. First, it commemorates by fixing certain versions of what happened to paper, adding to a collective memory of ‘how we got here’. Second, it thereby inevitably prolongs the very struggle at hand. Analyses, interpretations, accusations and justifications bend the unfolding of the fight further into the future. Protest demands a collapse of the difference between participating in and writing about an event. Writing thus raises the question: ‘where do we stand?’ Thirdly, this means that writing about protest is endemically judgemental. The genre invites all kinds of claims about what should have happened, what should have been done, what should be done now. Commemorating, taking a stand and making judgements are all part of the writings in this special issue. In doing these things in different ways and with varying emphases, the contributions provide a wide array of meanings to ‘the university’ and its future. In this sense, the special issue responds directly to and re-affirms the central claim of the Maagdenhuis protest: the university ought not be and cannot be an organisation built on the monochrome logic of ‘added value’.

Struggles, diagnoses and futures

Krisis chose to organise the special issue along three points of focus: struggles, diagnoses and futures. Under the heading of struggles, the reader will find contributions that not only describe specific fights taking place but also be able to sense the passion and engagement. We see how the work that people – in this case academics – do, is both deeply personal and overtly political. All of the contributions resist the managerial splitting of this entanglement. Diagnoses deal with the problem at hand. What is actually the problem and how can we grasp it in such a way that we do not argue ourselves into passivity? While some contributions focus more on the way in which universities tend to be organised, others foreground changing conceptions of the university. Finally, there are contributions which explicitly propose future images of the university, both in terms of structure and organisation as well as alternative concepts and callings.

Because this special issue is conceived to respond directly to protest, we start the issue with contributions about struggles. Nguyen Vu Thuc Linh, John-Erik Hansson and Ola Innset provide a sound place to start by analysing the changing circumstances of working in universities under neoliberal reform. They locate struggles emerging in cities such as Amsterdam, London, Toronto and Warsaw in histories of resistance and solidarity in the postwar period. Next, Jonas Staal takes us right into the lively practice of the Maagdenhuis protest in his essay on the art of the new university as it was created during the protests. Instead of merely taking artistic expressions, practices and objects as auxiliary to the political moment, Staal seeks to understand the protest itself as a Gesamtkunstwerk in which images, performances, posters and banners are composed. Sina Talachian and Vasileios Koutsogiannis pick apart the Maagdenhuis protest by analysing the various student movements that formed its core, showing how different notions of democratisation played out and entertained tense relations between them. On this basis, Talachian and Koutsogiannis develop an argument for sustained radical claims making, which they associate with the decolonising efforts of one of the groups involved, the University of Colour. Silje A. Andresen, Levon Epremian, Thomas S. Jakobsen, Michael Jones, and Hilde Refstie take the fight to Norway in their analysis of changing academic governance and ineffectual forms of participation. Critically discussing existing modes of representation, they show how the fight for democracy in universities can be akin to fighting a fog: the opponent continuously reforms itself in response to attempts to get a hold on it. The section is rounded off with a deeply affective essay by Josef Früchtl and Natalie Scholz, both participants in the protests in Amsterdam. Exploring the registers of political emotions at the heart of the protest and implicating personal experiences and attachment into the analysis, the essay calls for sustained engagement with the aesthetics of anger, rebellion and protest.

The section on diagnoses is opened by Rutger Claassen and Marcus Düwell, who lay out a triple democratic deficit in university governance, which will have to be dealt with. The relations between academic communities, society and university administration will have to be reinvented at all three sides, they argue, in order to make genuine progress in efforts to democratise universities. P. W. Zuidhof allows us to more fully understand questions of neoliberal reform in universities by providing a careful dissection of its tendencies and mechanisms, while also highlighting some specificities of the Dutch context. Out of an admission of complicity, Zuidhof seeks to look beyond to a post-neoliberal future. Approaching the problem from a different angle, Kati Röttger offers her perspective on how and why we should begin to recognise anew the usefulness of what is so often rejected as useless, academic knowledge. In an essay adapted from a lecture held at the Maagdenhuis as part of the academic life of the appropriated building, Röttger argues that it is the unconditional creation and exchange of knowledge that has been progressively squandered in contemporary universities. Paul Benneworth sees in the protest an opportunity to redress longstanding tensions in the relations within universities and those between universities and their environments. Applying the notion of soft-coupling, which is opposed to top-down modes of governance based on distrust, he advocates a rethinking of universities on three levels: political structures, within universities themselves and between academic generations. As somewhat of a bridge to the section on futures, Mieke Bal enacts the power of imagination in an essay, focusing in particular on the role of the humanities in contemporary universities. Tying together multiple philosophical and literary sources, from Flaubert to Benveniste and Spinoza to Zola, she argues for the work of ‘versioning’ in the humanities, implying the constant production of multiple visions of the world.

Even if all contributions to this special issue foreshadow new forms of academic life out of the rubbles of the past, the section on futures features contributions that aim to imagine and describe the future in more explicit ways. The section is provocatively opened by Willem Schinkel who argues both for the need to protest against the current state of academic affairs, yet also claims that pleas for a return to past privileges, idealized autonomy or fixation on democratic governance are but regressive moves in a fight that must articulate its own affirmative idea of the university’s place in the world. Schinkel lists what he dubs ‘the public tasks of the university.’ Such affirmative ideas for a new university are presented in three subsequent interventions. The first, by Kirsten Kalkman, opposes two attitudes toward academic study – Alcibiades’ erômenos and Socrates’ erastès – in favor of the latter and draws connections between this source of inspiration and the launch of De Bildung Academie, referring to Humboldtian ideals of academic cultivation, which she and other students are involved in. A second proposal comes from Amos and Machiel Keestra, who work out a ‘circulation model’ of university education. Identifying key shortcomings of the current education model, their intervention describes multiple ways to keep things moving: ‘circulation between research and education, between insights of teachers and of students, between disciplines, between disciplinary and experiential knowledge, between doing research and (meta-)reflection upon research, and so on.’ While much of the protest and discussion focuses on the embattled position of the humanities, Wessel Reijers provides some much need insight into how ideas for a new university might be used to reshape education and curricula at technical universities training future engineers. His proposal revolves around a new image: ‘the virtuous engineer’. On a more conceptual terrain, Rogier van Reekum argues that although ties between academic work and the outside world must be multiplied, current visions of academic worth do not allow us to imagine those connections in adequate ways. Van Reekum proposes a vision of experimental activism as an alternative to current fixations on the knowledge economy and the production of factual evidence. Finally, Mike Neary and Joss Winn describe their ongoing efforts to build and proliferate cooperative practices and organisations of academic work in higher education. Not merely concerned with labour conditions or educational forms, cooperation extends all the way into research methodologies. Thus, Neary and Winn offer a concrete example of the new university in the making.

The Krisis editorial collective hopes that this special issue – involving contributions from students, PhD researchers and faculty members – will not only contribute to and open up necessary discussions about ‘the new university’ but, in its moderate way, exemplifies some of the insurgent and collaborative spirit that drives the struggle for it.     

Issue 2, 2015: The New University

This issue of Krisis revolves around two figures, that of the pirate and the privateer. It explores their relevance to a critical understanding of the gobalized present. Defying any simple opposition, the relationship between them is simultaneously one of extreme proximity, in terms of practice, and great distance, in terms of their relation to sovereignty and the law. This results in an ambiguity that matches the economic networks in which they operate, then and now. For the pirate and privateer make their reappearance in the cracks opened up by nation states permanently recuperating from the centrifugal and deterritorializing forces of capital. From media pirates turned hacktivists to neo-privateers mooring their vessels in tax havens and SEZs, each contribution approaches engages these figures from a different angle: that of Agamben’s theory of sovereignty, Corporate Social Responsibility, anonymity and parametric politics, and many more.