U bent niet tot antwoorden verplicht, maar…

Review van: Michel Foucault (2014) Wrong-doing, Truth-telling: The Function of Avowal in Justice. Chicago: The University of Chicago Press, 360 pagina’s.

Op de website van Omroep West wordt op 21 januari 2015 het volgende bericht geplaatst over een verkrachtingszaak waarin een dertigjarige man tbs met dwangverpleging opgelegd krijgt: ‘[Hij] bekende de daad pas in hoger beroep. Hij werd toen tot 4 jaar cel en tbs veroordeeld. Met de bekentenis hoopte hij onder tbs met dwangverpleging uit te komen.’[1]

Wat betekent de bekentenis van deze man? Omroep West zegt dat hij zijn straf wil ontwijken. De rechter besluit dat de man moet worden verpleegd. De samenleving moet worden beschermd tegen het criminele subject, om wat hij heeft gedaan wellicht, maar in ieder geval ook om wie hij is en het risico dat zijn zijn vormt.

In Wrong-doing, truth-telling. The function of avowal in justice[2], een serie van zeven colleges die in 1981 werd uitgesproken aan de Universiteit van Leuven en die onlangs voor het eerst in Engelse vertaling verscheen onder redactie van Fabienne Brion en Bernard Harcourt, bespreekt Michel Foucault het historische verband tussen de bekentenis – in het Frans aveu – en jurisdictie. Het gaat in deze colleges om het waarheid-spreken van het subject over het zelf en over wat het fout heeft gedaan. Een klassiek foucaultiaans uitgangspunt speelt hier een rol: om macht erover uit te oefenen moet het subject gekend – hier bekend – worden en om te bekennen moet het subject binnen een constellatie van macht worden gehoord als subject.

Waar Foucault eerder, in Discipline and punish, de nadruk legt op de zichtbaarheid van de gevangene, verschuift die aandacht zich in Leuven naar de hoorbaarheid van wat de verdachte zegt. Dit heeft implicaties voor de situatie waarin subjectiviteit tot stand komt. Een bekentenis kan alleen worden begrepen in een situatie die om een bekentenis vraagt. De dramaturgie van het bekennen vraagt om een podium en toehoorders (Foucault 2014: 210). In die zin volgt de bekentenis op de onderwerping – subjectivering – van de beschuldigde.

Behalve als een echo van eerder werk zijn de colleges ook te lezen als een opmars naar Foucaults latere preoccupatie met het waarheid-spreken in de vorm van parrhēsia. Parrhēsia omhelst een ethische vorm van waarheid-spreken ten overstaan van een autoriteit die zich vervolgens gebonden ziet aan die waarheid en daardoor een verandering ondergaat (Foucault 2012: 13). In de colleges in Leuven gaat Foucault in op de bekentenis als vormend voor het criminele subject, waarbij eerder sprake is van overheersing[3] dan van ethiek (Foucault 1996: 434). Het handelend subject versterkt hier de overheersing waardoor het wordt onderworpen. Waar parrhēsia de mogelijkheid tot verandering opent, bemoeilijkt de bekentenis deze juist.

~

In zijn laatste college komt Foucault uit bij het criminele subject als risico voor de samenleving. Hier is de bekentenis niet meer nodig om de beschuldigde te veroordelen, maar om haar subjectiviteit als dader vast te stellen. Deze situatie volgt op een geschiedenis van de verbinding tussen het bekennen en jurisdictie vanaf de klassieke oudheid tot aan de twintigste eeuw.

Die geschiedenis begint met een interpretatie van Homerus. Foucault besteedt aandacht aan een eed die moet worden afgelegd als resultaat van een geschil dat optreedt na een paardenrenwedstrijd. Een van de renners, Antilochus, moet voor de goden zweren dat hij niet vals speelde (Foucault 2014: 37). Antilochus weigert de eed af te leggen omdat hij zich niet tot de goden wil verhouden. Nu moet het geschil binnen het menselijke domein worden beslecht. De oplossing neemt een juridische vorm aan. Er is echter nog geen sprake van een bekentenis: hij weigert de eed af te leggen. Toch laat de eed de waarheid naar voren komen. Juist door te weigeren wordt duidelijk dat de renner niet had mogen winnen omdat zijn tegenstander de gerechtigde, ware winnaar was (Foucault 2014: 41-42).

Het belang van dit alles? Enerzijds ontstaat hier voor het eerst een vorm van rechtspraak waarbij de rechter een positie inneemt boven de strijdende partijen. Ten tweede ziet Foucault hier voor het eerst de samenkomst van wat rechtvaardig is en van wat als waarheid wordt beschouwd (Foucault 2014: 50). ‘Het ware’ en ‘het juiste’ worden hier voor het eerst aan elkaar verbonden, omdat de rechter boven de partijen staat en zijn uitspraak waar moet zijn.

We gaan van Homerus naar Sophocles. Foucault geeft zijn lezing van Oedipus Rex. In de tragedie wordt de waarheid duidelijk – dat het Oedipus zelf was die zijn vader doodde en met zijn moeder trouwde – wanneer Oedipus zichzelf herkent als de dader. Het belangrijke punt is dat het hier niet enkel gaat om een waarheid die in rechte komt vast te staan, maar dat het gaat om een bekentenis waarbij Oedipus zichzelf herkent als degene die gebonden is aan die waarheid. Deze verbinding tussen een in rechte vaststaande waarheid en het bekennende subject leest Foucault als ‘the very blueprint – and the introduction onto the stage – of this procedure of avowal’ (Foucault 2014: 79).

Hij vervolgt zijn geschiedenis met een bespreking van twee vormen van boetedoening in de vroeg-christelijke periode. Enerzijds gaat het om de boetedoening van leken. Deze is publiekelijk en neemt de vorm van waarheid-spreken over het zelf aan waarbij het zondige zelf dood wordt verklaard. Hierdoor komt de waarheid van dit zondige zelf naar voren: ‘With mortification of oneself, that is, with the sacrifice of oneself. One produces the truth of the self only insofar as one is capable of sacrificing oneself’ (Foucault 2014: 112). De tweede vorm is de levenslange boetedoening van de monnik waarbij het leren kennen van de geheimen van het zelf van belang is. Deze geheimen moeten worden geopenbaard door waarheid-spreken waarbij het idee is dat de goede gevoelens en ideeën geopenbaard willen worden en dat de ideeën van de duivel in het duister willen blijven (Foucault 2014: 151). Door gevoelens te openbaren, kan onderscheid worden gemaakt tussen het ware en het slechte: voor de slechte gevoelens treedt schaamte op en voor de ware niet.

In de zevende eeuw treedt een verandering op in de manier van boetedoening. De twee bovengenoemde vormen beginnen met elkaar te vermengen, waarbij de boetedoening gespecificeerd wordt naar het individu enerzijds en naar de zonde anderzijds (Foucault 2014: 177). Hiermee wordt het subject individueel aangesproken op de daad die hij bekent. Een tweede verandering in dezelfde periode is dat de verbalisering van de bekentenis voor afzonderlijke feiten wordt benadrukt (Foucault 2014: 178). Een proces van juridificering treedt op: zonden worden gecodificeerd en men is eraan gehouden de code te kennen om verbaal boete te kunnen doen (Foucault 2014: 183).

Een volgend moment in de colleges ligt tussen de elfde en dertiende eeuw. Het gaat om de sacramentalisering van boetedoening. Onderdeel hiervan is dat de priester voor het eerst de macht krijgt om door middel van een performatieve taalhandeling de zonde van de bekennende persoon te vergeven (Foucault 2014: 190). Een van de effecten van de nieuw verkregen macht van de priester was dat: ‘the act of penance (…) became in effect an act of juridical nature’ (Foucault 2014: 186). De boetedoening neemt hier de vorm aan van een schuldbekentenis in juridische vorm: de boete wordt verbaal gedaan ten overstaan van een priester die kan vergeven en veroordelen.

In zijn laatste college besteedt Foucault aandacht aan de achttiende eeuw tot het heden. Hij stelt dat de bekentenis van blijvend belang is bij de rechtspraak omdat de wet wordt gezien als de wil van het volk inclusief het bekennende subject, de rechter een bekentenis nodig heeft om de waarheid vast te stellen en de bekentenis de verdachte koppelt aan de sanctie die wordt opgelegd (Foucault 2014: 207-209).

Tussen 1800 en 1835 doet zich een bijzonder fenomeen voor. Er wordt een aantal moorden gepleegd waarbij de dader duidelijk aan te wijzen is. De daders hebben echter geen duidelijke motivatie voor de moorden en een betekenisvolle bekentenis geven ze niet (Foucault 2014: 212). De bekentenis van de beschuldigde is intussen zo belangrijk voor het gerecht dat deze niet zomaar kan ontbreken. Er moet een verklaring komen.

Pyschiatrie biedt de oplossing. Een nieuwe aandoening wordt ‘ontdekt’ waarvan het enige symptoom is dat iemand een misdaad pleegde zonder motivatie (Foucault 2014: 216). Hiermee ontstaat een verbinding tussen de psychiatrie enerzijds en het juridische anderzijds. ‘The importance of psychiatry at the beginning of the nineteenth century was that it functioned as a sort of public hygiene’ (Foucault 2014: 217). Psychiatrie werd toen niet beoefend gericht op het individu, maar op de samenleving als geheel. Met de psychiatrie ontstaat een nieuw probleem. De interpretatie van het waarheid-spreken van de beschuldigde als een vorm van verantwoordelijkheid nemen voor een daad, was niet langer houdbaar. Wanneer een beschuldigd subject niet als vanzelfsprekend in staat wordt geacht een waarheid te bekennen, raakt de bekentenis in diskrediet (Foucault 2014: 222).

In een laatste verschuiving komt de antropologie aan zet. Deze nieuwe discipline zorgt voor twee verschuivingen in de betekenis van het juridische bekennen: ‘(…) from the act committed to the danger that is potentially inherent in the individual, and from a modulated punishment of the guilty party to the absolute protection of others. We entered at that precise moment, I believe, an entirely different regime: that of security’ (Foucault 2014: 223). De verschuiving naar dit nieuwe regime van veiligheid en zekerheid brengt een nieuwe waarheid van het subject met zich mee. Het criminele subject wordt een afgebakende entiteit die aan de hand van risico’s is gedefinieerd. Het is niet langer de misdaad die onder controle moet worden gehouden maar de misdadiger. De beschuldigde is verantwoordelijk. Niet alleen om de daad die hij pleegt, maar door zijn bestaan als crimineel (Foucault 2014: 227). Het bekennen is niet langer nodig voor het vaststellen van de daad, maar voor het fixeren van de dader.

~

Als de bovenstaande samenvatting van de colleges geslaagd is, leest deze als een probleemstelling rondom de ontstaansgeschiedenis van het bekennende subject. Het waarheid-spreken van de beschuldigde leidt enkel tot een versterking van het regime waaraan het subject wordt onderworpen. Dat wat bekend wordt, is reeds voorbereid door de beschuldiging; de misdadiger wordt reeds als zodanig voorondersteld om een bekentenis hoorbaar te maken. Niet alleen is het subject dat in het leven is geroepen als bekennend subject te begrijpen als een gevolg van de (juridische) machtsstructuren waarbinnen het zijn plaatsvindt, het bekennen als zodanig draagt bij aan het in stand houden van deze structuren waardoor het subject in zijn bekentenis overheerst wordt door zijn bekentenis, die door de rechters, psychologen en antropologen wordt verwacht en gehoord.

Foucault schrijft elders dat het verband tussen het eigen werk aan het zelf en de macht die van buitenaf over dit zelf wordt uitgeoefend, is wat hij governmentality of government noemt (Foucault 1997: 225 & Foucault 2007: 154). De colleges in Leuven laten zich lezen als een problematische relatie tussen zelf-technieken en overheersing van buitenaf; een problematiek van government. De stelling dat Foucault een probleem heeft met macht op zich schiet dan ook tekort. Waar het uiteindelijk om gaat, is het probleem van een bepaalde machtssituatie waarin verandering bemoeilijkt wordt:

‘When an individual or social group succeeds in blocking a field of power relations, immobilizing them and preventing any reversibility of movement (…), one is faced with what may be called a state of domination. In such a state, it is certain that practices of freedom do not exist or exist only unilaterally or are extremely constrained and limited’ (Foucault 1996: 434).

Terugdenkend aan de man die werd veroordeeld voor verkrachting en die bekende in de hoop niet in een kliniek te worden opgenomen, zien we dat hij zich vergiste. De beschuldigde verbeeldde zich in een andere tijd te leven, een tijd waarin zijn bekentenis slechts betrekking had op zijn daad en niet op zijn persoon. De man verbeeldde zich dat hij de mogelijkheid had om invloed uit te oefenen door te bekennen. Hij trof zich aan in een situatie van overheersing waarin jurisdictie zodanig met de bekentenis is verweven dat ieder bekennend woord de rechter sterkt in het horen van de waarheid die is voorbereid: dit figuur verkrachtte niet alleen, als verkrachter vormt hij een risico, een risico voor een samenleving die moet worden beschermd.

Issue 1, 2016

The first Krisis of 2016 will be the last issue before the re-launch and redesign of Krisis online. Femke Kaulingfreks opens the issue and analyses street protests, like the one in the Netherlands in reaction to the death of Mitch Hernandez in 2015, as cases of unruly politics. Thomas Wells proposes in his article to ‘exile the rich’ by pointing to how democracy is undermined by unlimited accumulated wealth. Sina Talachian dissects the shifting relationship between universalism and particularism in the work of Karl Marx. In his essay, Merijn Oudenampsen considers the controversial but inescapable role of ‘utopia’ in the Dutch political and intellectual sphere. In addition to articles, this issue Krisis presents a never before published interview with Richard Rorty by Mark Koster en Dennis Schulting, introduced by Jappe Groenendijk. Four reviews of new books of philosophy close this issue. Beatrijs Haverkamp reviews German philosopher Rahel Jaeggi’s Alienation. Eva Meijer read Animal Deliberation by Clemens Driessen. Sarah Ahmed’s latest monograph Wilful Subjects is reviewed by Eliza Steinbock. Finally Ilios Willemars will consider the newly published texts by Michel Foucault in Wrong-doing, truth-telling