Wie van neoliberalisme af wil, zal ook bureaucratie moeten elimineren

Recensie van: David Graeber (2015), The Utopia of Rules. On Technology, Stupidity, and the Secret Joys of Bureaucracy. New York: Melville House, 261 pagina’s.

Men hoort wel eens beweren dat liberalen tegen de overheid zijn – en vóór de markt. Dat is altijd  een problematische propositie, want liberalen – of zij zichzelf nu omschrijven als sociaal-, progressief- of conservatief-liberaal en of zij zich beroepen op Mill, Friedman of Von Hayek – propageren altijd bescherming van eigendomsrecht, af te dwingen door de (rechts)staat. De uit politie, justitie en leger bestaande liberale minimale staat houdt altijd al maximale protectie van eigendomsrechten in, oftewel maximale bescherming van bezitsverhoudingen, oftewel volledige consolidatie van de status quo. Een status quo die aan vrijheid gelijk wordt gesteld, of liever: liberale vrijheid houdt op waar de status quo wordt bedreigd.

Was het altijd al problematisch liberalisme als anti-overheid te kenschetsen, sinds de neoliberale contrarevolutie van Reagan en Thatcher is het onhoudbaar. Het voorvoegsel neo duidt daarbij op een mutatie in het liberalisme dat in de door Graeber in voetnoot elf geparafraseerde woorden van Foucault zo kan worden begrepen: ‘this is the difference between the old and new varieties: those promulgating markets now understand that they do not form spontaneously, but must be nurtured and maintained by government intervention’ (mijn onderstreping.) En inderdaad wordt de ‘bankenmarkt’ gevormd door een Europese bureaucratie in Frankfurt die de rente vaststelt van de Ierse tot de Egeïsche Zee, worden failliete banken gered door de staat, verplicht de Nederlandse staat deelname aan private pensioenregelingen en private zorgverzekeringen en ziet de Autoriteit Consument & Markt erop toe dat huisartsen niet samenwerken maar levert het de ‘zorgmarkt’ uit aan een kartel van vier grote verzekeraars.

Neoliberalisme is dan die liberale stroming die in de naam van de markt de staat inzet ten behoeve van kapitaal. Dat betekent een proliferatie van toezichthouders, centrale banken, marktautoriteiten en planbureaus. En dat betekent vervolgens – nog altijd in de naam van marktwerking – een explosie van bureaucratie.

Graeber kiest, zoals de titel al aangeeft, voor bureaucreatie eerder dan neoliberalisme om het postdemocratische Ersatzkapitalisme van de eenentwintigste eeuw te begrijpen. Wat water is voor vissen, is bureaucratie voor de laatkapitalistische burger: alomtegenwoordig, daarom nauwelijks geproblematiseerd en dus zelden begrepen.

Graebers bureaucratieanalyse steunt op vier pijlers. Ten eerste zijn zowel publieke als private actoren bureaucratisch. Privatisering leidt zelfs tot meer bureaucratie. Banken dienen bijvoorbeeld te worden gereguleerd omdat private banken publieke taken (geldcreatie, financiële infrastructuur en geldbewaring) vervullen. De regulering neemt nog verder toe omdat banken lobbyen om hen welgevallige regels. De identificatie van bureaucratie met de overheid is dus misleidend. Dit vat Graeber samen in zijn ijzeren wet van liberalisme: elke privatisering, de- of re-regulering en ‘liberalisering’ leidt tot meer bureaucratie.

Ten tweede is bureaucratie gewelddadig. Achter elke regel staat uiteindelijk een man met een geweer. Wie de verplichte zorgpremie niet betaalt, belandt in het cachot. Volgens Graeber zijn geweld en bureaucratie onlosmakelijk verbonden:  politieagenten zijn bureaucraten met wapens. Politieagenten – dienaren van de staat – zijn dan ook vooral gewelddadig tegen demonstranten die hun gezag uitdagen, ze worden vooral agressief tegen bevraging van hun bureaucratisch monopolie. Wie zich identificeert met de status quo heeft daarmee weinig te vrezen van de politie of, in de woorden van Graeber: ‘the real definition of middle-class is whether, when one sees a policeman on the street, one feels more, rather than less, safe’.

Ten derde is een wel degelijk bestaand antibureaucratisch individualistisch sentiment gekaapt door de commercie die het weer ingekaderd heeft in een liberaal idioom. Jezelf zijn, flexibilisering, reiszucht, uitdagingen, hervorming, zelfexpressie, vrijheid zijn marketingslogans geworden waarmee multinationals door uitgebuite kinderen gemaakte schoenen (just do it) aan de man brengen. De kern, volgens Graeber, is dat rebellerende fantasieën niet meer in de politieke ruimte worden gearticuleerd maar enkel nog in de consumentensfeer worden gesitueerd, in andere woorden: ‘rule-bound organization’ in de ‘sphere of production’ en ‘self-realization through consumption’.

Ten vierde heeft bureaucratie ook een zekere aantrekkingskracht. Dat is de aantrekkingskracht van het spel dat aan vaste, voor iedereen geldende regels is gebonden. Het is de aantrekkingskracht die iedereen kent die graag bordspellen speelt. De ondubbelzinnigheid van de winst is alleen mogelijk door de ondubbelzinnigheid van de regels. Spelplezier is een product van een utopia van regels, de miniversie van de uiteindelijk maar niet geheel ironische utopia of rules uit de boektitel.

De analyse van Graeber overtuigt omdat hij een ogenschijnlijk versleten begrip als bureaucratie van onvermoede en onderling contradictoire kanten beziet. Bureaucratie is aantrekkelijk én weerzinwekkend, gewelddadig én regulerend, rechts én links, privaat én publiek. En omdat we – dixit Graeber – leven in het tijdperk van de volledige bureaucratisering, dienen mensen zich permanent te verhouden tot het meervoudige en dubbelzinnige karakter ervan. Zo weet iedereen die in grote organisaties werkt dat promoties niet afhangen van in functieprofielen neergeslagen meritocratisch geheten ‘competenties’. Kantoorpolitiek is de samenvatting voor een geheel aan vriendjespolitiek, gunfactor, coöptatie, verdeel-en-heers, netwerken, quid pro quo en nepotisme dat tezamen toch goeddeels de hiërarchie bepaalt. Tegelijkertijd echter hangt succes ook af van de mate waarin men bereid is te doen alsof bevorderingen volgens de regels geschieden. Bureaucratische organisaties maken iedereen die er succesvol in opereert medeplichtig. Het is alleen daarom al dat men er niet eenvoudig vanaf raakt.

En alle meerduidigheid ten spijt maakt de auteur van begin af aan helder dat hij bureaucratie negatief waardeert. Hoe er dan vanaf te geraken? In elk geval dient men bureaucratie niet met nog meer bureaucratie te lijf te gaan. Dit leidt – kortweg – tot het ‘creating committees to deal with the problem of too many committees’-probleem. Globalisering is evenmin een oplossing, wijl dat historisch juist bureaucratisering impliceert. Globalisering is een administratief, neo-imperialistisch project waarbij via instituten als de Wereldbank, Europese Unie, NATO, IMF en OECD een bureaucratisch net over de wereld wordt uitgeworpen.

Er zijn slechts twee politieke uitwegen, een rechtse en een linkse. Basis voor het rechtse antwoord is de constatering dat in een bureaucratisch utopia autoriteit verwordt tot de mogelijkheid om de regels te breken. Om Carl Schmitt te parafraseren: hij heerst die de noodtoestand kan uitroepen. Het rechtse, of zo men wil fascistische antwoord is om bij monde van een leider de wet te verzetten en de noodtoestand uit te roepen.  

Het linkse en uiteraard door Graeber geprefereerde antwoord is vervat in de jaren zestig leuzen ‘de verbeelding aan de macht’ en ‘wees realistisch, eis het onmogelijke’. Realisme betekent hier het serieus nemen van staatsgeweld. De Occupy-beweging werd uit elkaar geslagen door de politie, in Nederland werden in Gouda demonstranten tegen de Zwarte Piet-figuur genekklemd, werden in Amsterdam Maagdenhuis-bevrijders door stillen gevangen genomen, werd een ‘fuck de Koning’ zeggende demonstrant ingerekend en werden in Spijkenisse feministische demonstranten opgepakt. Men dient realistisch te zijn, en tegelijkertijd het onmogelijk te eisen. Dat onmogelijke is samen te vatten in het imperatief stop making capitalism. Kapitalisme is een economisch systeem van sociale verhoudingen dat oplost als mensen collectief opstaan. Dat is het principe immers van stakingen (‘Gansch het raderwerk staat stilals uw machtige arm het wil’). Zo’n wereld is onvoorstelbaar, juist omdat kapitalisme – een term die Graeber in toenemende mate inwisselbaar gebruikt voor bureaucratie – alomtegenwoordig is. Er moeten dus alternatieven worden gedacht en verbeeld, en die verbeelding moet aan de macht geholpen. Zonder macht gaat het niet, want zonder staatsmacht kan er geen revolutie zijn.

Het begint echter met verbeelding en daarom bestaat het ultieme doel van neoliberalisme – een term die Graeber weer inwisselbaar gebruikt met contemporain kapitalisme – eruit ‘to create a world where no one believes any other economic system could really work’. En dat lijkt te lukken want we kunnen ons inmiddels beter voorstellen dat de wereld vergaat dan dat het kapitalisme vergaat. Linkse politiek is eerst dan werkelijk kapot als het niet meer kan worden gedacht  – zoals in de middeleeuwen atheïsme niet kon worden gedacht.

Via analyse van het begrip bureaucratie komt Graeber als vanzelf uit bij analyse van de begrippen kapitalisme (een economisch systeem) en neoliberalisme (diens politieke pendant). Het begrip neoliberalisme is mijns inziens uiteindelijk het inzichtelijkst (vandaar de lange inleiding daaromtrent), omdat het de ruptuur in de jaren tachtig belicht met de daaraan voorafgaande keynesiaanse, sociaaldemocratische consensus dat de trits volledige werkgelegenheid, overheidsinvesteringen en sociale zekerheid doelen waren die overheden konden én moesten realiseren. De breuk bestaat eruit dat de staat zowel machtiger als impotenter is geworden. Hij is machtig in het creëren van markten en stutten van marktactoren. De Nederlandse staat redde de banken met een totaalbedrag van 112 miljard dat door het kabinet in een reeks weekenden zonder parlementaire goedkeuring op tafel werd gelegd. 

De staat is evenwel impotent bij het nastreven van de keynesiaanse doelen. Fiscaal beleid was al lastig omdat kapitaal de laatste decaden steeds meer belasting ontduikt, maar is sinds de ‘fiscale pacts’ vanwege de Europese Monetaire Unie (EMU) onmogelijk gemaakt. Monetair beleid in één land is onmogelijk in een wereld waarin de geldpers in Frankfurt staat, bewaakt door een oud-Goldman Sachs bankier die door de media onafhankelijk president wordt genoemd. Als meer overheidsinvesteringen, geld bijdrukken, valutadevaluatie en belastingverhoging (althans voor kapitaal) onmogelijk zijn, dan rest slechts bezuinigen (op arbeid) en de uitverkoop van publieke activa. Wat dat in de praktijk betekent, is manifest geworden in Griekenland in 2015.

De eis van de Griekse volk om de bezuinigingen te doen stoppen werd effectief gesaboteerd door de al te geloofwaardige dreiging van de Europese Centrale Bank (ECB) om het Griekse bancaire stelsel op te blazen. Er is veel inkt gevloeid over de vraag of Syriza goed gedaan heeft aan het accorderen van het memorandum waarin de bezuinigingen en uitverkoop van publieke goederen aan Duitse opkopers werd gecodificeerd. Uiteraard hield de ECB een pistool tegen het hoofd van Syriza onder de Godfather-toevoeging ‘either your brains or your signature are gonna be on that contract’. Met andere woorden, materieel was het memorandum altijd doorgegaan, ongeacht de opstelling van Syriza. Desnoods was er een rechtse coup geïnitieerd of een Europese versie van blauwhelminterventie. Achter elk memorandum staat een man met een geweer.

Het verweer van Syriza is dat zij de minimale politieke manoeuvreerruimte zullen benutten om tenuitvoerlegging van het memorandum te vertragen en te ontregelen. Hoe dan ook, het grote nadeel is dat een links alternatief in de EMU daardoor nog lastiger denkbaar is. Syriza – en de andere linkse partijen en bewegingen in Europa – had geen goed alternatief voorbij de euro, voorbij de memoranda, voorbij het Groei- en Stabiliteitspact, voorbij de ECB,  oftewel voorbij de regels, voorbij de bureaucratie. En zo komt alles bij elkaar. En is het – Graeber indachtig – wachten tot een links alternatieve verbeelding wel levensvatbaar blijkt, of een sterke man opstaat die alle EMU-regels verzet – ofwel het neoliberalisme erin slaagt zichzelf als permanent hegemoniaal te vestigen. Dat laatste zal een tijd zijn waarin Graebers boek als nietszeggend zal worden beoordeeld. Tot die tijd is het een even overtuigend als inzichtrijk en daarmee onontbeerlijk boek.

Issue 2, 2016

This issue of Krisis discusses the critical theory of Hauke Brunkhorst. The focus is on two of his recent books: Critical Theory of Legal Revolutions and Das Doppelte Gesicht Europas. An introduction to the work of Brunkhorst is followed by critical contributions on both books by Tannelie Blom, Darryl Cressman, René Gabriëls , Matthew Hoye, Sjaak Koenis, Pieter Pekelharing,  Willem Schinkel and Ludek Stavinoha. Finally, this dossier finds its closure with Brunkhorst’s reply to his critics.    

In addition, this issue contains three articles. Lieke van der Veer analyses and evaluates forms of border-crossing and residency that are considered problematic. Jess Bier explores the documentary histories of Caribbean pirates and François Levrau intervenes in the ongoing debate about multiculturalism. Further, David Hollanders reviews David Graeber’s  The Utopia of Rules (2015) and Frieder Vogelmann reviews Daniel Zamora’s Critiquer Foucault (2014) as well as Mitchell Dean’s and Kaspar Villadsen’s State Phobia and Civil Society (2016).

Krisis is redesigned and equipped with a new website. However, with regard to the content nothing changed.  Krisis stays a platform for discussions in contemporary social, political and cultural thought, it seeks to make the work of classic authors relevant to current social and cultural problems, and upholds its function as a forum for current critical thought on public affairs.

Artwork by Frans Franssen – alkyd on wood- 43x19x18 cm, 2016.